Over Fabelhaftige scholen en Rotte Vis.

Wat doet ze in jullie ogen dan verkeerd?‘ Er is een nieuwe docent. En de derde klas VMBO-K die ik les geef is er niet tevreden mee. Stoïcijns en verbeten kijken ze me aan. Zelfs de meest empathische leerlingen, die doorgaans redelijk meegaand situatie’s ondergaan, kijken beteuterd en teleurgesteld. De informele leidster (een meisje in dit geval) houdt een vlammend betoog. 

Ze laat ons nablijven, mevrouw. Terwijl we niets verkeerd gedaan hebben! We kennen haar nauwelijks en we mogen niks zeggen!‘. ‘Zo…‘ Ik knik. ‘Dat is nogal wat. En wat hebben jullie gedaan om contact te krijgen? Hebben jullie haar bijvoorbeeld wel welkom geheten?

Verbaasde blikken gaan mijn kant op. ‘Hoezo!?‘ roept de leidster. ‘Zíj is nieuw! Wij niet!” ‘Daarom.’ antwoord ik. ‘Jullie wandelen hier al drie jaar rond. Zij net een week. Zou het niet vriendelijk zijn als jullie haar helpen? Dan kan ze jullie leren kennen en ontdekken wie jullie zijn.‘ Ik kan een speld horen vallen in het oude lokaal dat nog net niet uit elkaar valt. Een jongen schudt zijn hoofd. Een ander staart uit het raam.

Oke, eerlijk..‘ ga ik verder. ‘Toen ik net kwam invallen, waren jullie niet vriendelijk naar mij. Ik vond dat vreemd, want jullie kenden me niet eens. Als iemand komt lesgeven, dan begint er een samenwerkingsrelatie. Natuurlijk moet je elkaar langzaam leren kennen. Maar, ik moest bijna dankbaar zijn dat ik iets uit mocht leggen. Dat is gek, hè...’. De klas luistert. Dit soort gesprekken vinden ze prettig en ik zou het veel vaker met ze willen. De druk van boven houdt dat tegen. Mijn les heet Nederlands. Niet ‘Mens en Maatschappij’. Het lijdend voorwerp en aanwijzende voornaamwoorden zijn kennelijk belangrijker dan sociale omgangsnormen. Want Mens en Maatschappij wordt door niemand gegeven.

Maar goed. We gaan verder. Naar de nieuwe docent en de derde – op dit moment ontevreden – VMBO klas. Ze denken na. ‘Ja, maar…‘ begint een meisje dan. ‘U luistert naar ons.’ ‘Ook niet altijd’ antwoord ik. Ik hoor mezelf zelfs zo nu en dan ‘Omdat ik het zeg!’ antwoorden op de waarom-vraag. Het grootste zwaktebod van een docent. Je beroepen op de hierarchische macht. Op iets waar je niks voor hoeft te doen en in geen enkele situatie te rechtvaardigen is. Misselijk word ik ervan. En de laatste weken betrap ik mezelf steeds vaker op het gebruiken van dat verschrikkelijke machtsvertoon. Walgelijk.

Maar u luister wel, hoor mevrouw.‘ Een andere leerling valt het meisje bij. ‘Ook als u boos bent. De nieuwe mevrouw wilde helemaal niet met ons praten. Ze begon meteen met economie, hè. Echt meteen! Ze vroeg niets aan ons. En toen kregen we heel veel huiswerk. Dat hebben we express niet gemaakt. Maar nu moeten er twaalf mensen uit onze klas nablijven. Wel twaalf hè, mevrouw. Twaalf!’ Ik moet een beetje lachen. Twaalf is wel een statement. En de nieuwe mevrouw is er nog maar een week.

Ik ga wel met haar praten’ beloof ik ze. ‘Maar, ik kan niet beloven dat er iets verandert. We kunnen alleen proberen om haar te begrijpen. Zodat ze ook jullie kan leren begrijpen. Dat verdient ze.‘ De leerlingen gaan er mee akkoord.

Hoi!’ zeg ik, als ik haar zie. Een boeiend gesprek over onderwijsvisies en pedagogische keuzes volgt. Uiteraard stelt de mevrouw zich ook zakelijk naar mij op. Dat is haar handtekening. Maar langzaam ontstaat er lucht. Een vriendelijk gesprek. De docente blijkt van het VWO te komen, waar hele andere interventies gevraagd worden (en nodig zijn). We blijken lijnrecht tegenover elkaar te staan wat betreft onze ideeën over het ontwikkelen van een prettige samenwerking met leerlingen. Zij wil top-down. Ik bottom-up. Zij wil heersen. Ik wil dienen. Zij wil zakelijk. Ik wil persoonlijk. En zo kunnen we nog wel even doorgaan. De verschillen zijn enorm, maar staan een prettig contact niet in de weg. Desalniettemin blijven alle twaalf leerlingen keurig na en klaagt de derde nog een paar weken door over de nieuwe mevrouw.

Pas weken later dringt het op een onbewaakt moment tot me door. Zelden ‘durf’ ik extern te klagen over dingen die ik intern op school mee maak. Alsof ik het moet beschermen. Met hand en tand verdedigde ik altijd de contextuele situatie binnen het onderwijsveld. Ik kon eens olie op het vuur van de opruiers gooien. Gek werd ik van ze, van al die schreeuwers aan de zijlijn, die nog nooit een dag voor de klas hebben gestaan, maar wel zeggen te weten hoe je les moet geven. Yeah right. Alsof ik een hartchirurg kan vertellen waar hij precies snijden moet. Of hoe de buschauffeur het voertuig in moet draaien als er een bocht komt. Of welke verf je kiezen moet bij een bepaalde ondergrond. Ervaring maakt je meester. En daarom begrijp ik absoluut niet waarom zogenaamde ‘onderwijsexperts’ niet even eerst een tijdje les gaan geven. Of, in ieder geval mee gaan lopen. Om de context te leren.

Met 642 middelbare scholen, zijn er 642 varianten te vinden. Van fantastisch fabelhaftige scholen tot rotte vis. En alles daartussen. Ik vond het zinloos en denigrerend om daar kritiek aan toe te voegen. Beter was het, in mijn beleving, om de pareltjes in het licht te zetten. Om de mooie momenten van het vak te laten zien en te werken vanuit positiviteit. Jaren heb ik mijn hoofd erover gebroken. Met een diploma van één van de meest innovatieve PABO’s uit de jaren negentig (de oude ‘Eekhorst’ pabo, Assen) op zak èn een diploma jenaplan en freinet, hield ik mezelf voor dat ik enkel hoefde te wachten op die ene fantastisch fabelhaftige school. Zo overtuigend dat zelfs vrienden er soms moe van werden. Tot ik het ook zelf zag. Ik zag mezelf veranderen in iemand die wacht op de ‘dag van morgen‘. Het effect van de remmende voorsprong. Dom. Onwijs. Zelfs John Lennon wist al beter.

Ik werkte als interim docent op een middelbare school. Bewust. Heel bewust. De vierde school in één kalenderjaar. ‘Teveel’ had een kennis gezegd. ‘Teveel geïncasseerd. Je hebt teveel gewisseld van school, bij een ontzettend moeilijke doelgroep. Steeds door de testfases heen en dan vertrek je weer. Dat is uitputtelijk.’ Ik had geknikt. En wist dat het niet waar was. Ik heb nu meer gezien dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Al dat testen is helemaal niet nodig. Elke leerling had me laten zien dat ze zich enkel zo gedragen omdat dat is wat we van ze verwachten. Self fulfilling Prophecy. 

Hoe kan het dat ik, al in de jaren negentig, leerde dat les geven áltijd bij jezelf begint. Nooít bij de ander. Waar is de inbreng van Maria Montessori, Peter Petersen, Celestin Freinet, Helen Parkhurst, Rudolf Steiner. Moeten we die hele fase van begin twintigste eeuw opnieuw doen, dan? Dat is zónde van de tijd! We moeten door bouwen op hun inzichten. Niet het kind met het badwater weg gooien.’ Ik raas door. Soms is het nodig om te razen. Functioneel zelfs. Want het brengt je nieuwe inzichten. Niet meteen natuurlijk, maar juist in de stilte daarna. In de leegte die volgt.

En zo komt het dat ik, na het schrijven van een eerste kritisch, niet al te rooskleurig verhaal, opeens opgeluchter ben dan al die jaren daarvoor. Dankzij de nieuwe economie mevrouw en de derde klas VMBO. Dankzij de extreme visie verschillen, waarin maar één gemeenschappelijk punt in te herkennen was:

Respect voor elkaars zienswijze. Het enige dat we nodig hebben nu.

Als we relaties aangaan met de mensen om ons heen, van welke oorsprong dan ook. Van welke leeftijd en vanuit welke organisatiestructuur. Als we oprecht in gesprek gaan en onszelf niet uitvlakken, maar ook daar eerlijk zijn over onze kracht en uitdagingen. Dan kan ik me niet voorstellen dat het niet zou lukken om het onderwijs weer tot het mooiste maatschappelijke veld van ons land te maken. En ja. Dat klinkt zijig en soft. Vreselijk. Maar het is wel waar.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.