Dit gaat allang niet meer over onderwijs; dit is het systeem.

Terwijl het halve land zich verzamelde om de Staat van het Onderwijs te duiden, stonden wij in mijn woonkamer. Ik had een ringbandje gedaan om het stuk tekst dat we bespraken. Zo leek het net echt. Maar, zoals bij vrijwel elke boekbespreking verzande de geschreven tekst in een toekomstige taak en ijsbeerden wij in diagonale lijnen door de ruimte, waarbij we gedachtenballonnetjes opbliezen om daarna weer los te laten.

De actualiteit kon niet scherper..‘ constateren we vandaag. Alle voorpagina’s staan vol met onderwijs. Al maanden enkel onderwijs. Eerst dachten we dat we biased waren. Je kent het wel; denk niet aan een roze olifant en je komt ze vervolgens overal tegen. Maar, voorpagina’s hebben niets met bias te maken. Die zijn echt. Schrijf dan nog maar eens een boek. Je kunt net zo goed alle media-artikelen bundelen, Hollywood bellen en er een leuke blockbuster over draaien. Dan hebben ze er in de toekomst ook nog iets aan. ‘Deden jullie het zó?‘ zullen de kleinkinderen dan vragen. ‘Werkelijk?

Ja. Dit is hoe we deden. Ik weet ook niet waarom.

Mijn persoonlijke neiging reikt steeds sneller naar het wereldtoneel. Ik bekeek de PISA scores uit 2015 (PISA is een toets in 72 landen onder 15-jarigen om te kijken hoe het met hun cognitieve kennis en vaardigheden is gesteld. Nederland legt voor deelname zo’n €8 mln per jaar neer) en keek niet naar de rangorde tussen de landen. Die zeggen zo weinig. Een meting is altijd een momentopname. Om die reden houden ze bij de WISC (WISC is een intelligentietoets voor kinderen tot 18 jaar) ook rekening met een marge van 10. Je kon eens je dag niet hebben, of een beetje griep. Misschien is je verkering net uit, of hadden je ouders ruzie. Elke gedrag kent een oorsprong die 80% van de tijd niets met het incident zelf te maken heeft. Zo ook een intelligentietoets. En dan zou zo’n PISA uitslag zeker onze hele onderwijsgemoedstoestand bepalen. Beetje mesjokke.

De onderwijsvraagstukken gaan níet over onderwijsvraagstukken. We schreven het ook al in het voorproefje van ‘Nooit Af in het Onderwijs.’ Het zijn systeemvraagstukken. Vraagstukken die onze hele samenleving raken en aangaan. Ze gaan over onze arbeidsmarkt, de democratie, sociaal demografische verhoudingen, economische ontwikkelingen, migratie en – ja, zelfs – sekse issues. Het goede hieraan is dat het debat verbreedt, en de betrokkenheid vergoot wordt. Het lastige is dat we vertroebelen en niemand meer doorheeft waar de essentie ligt.

Laatst sprak iemand hardop uit dat kinderen anno nu niet meer zo goed kunnen fietsen als anno vroeger. Omdat ouders hun kroost met de auto naar school brengt. ‘Aha!‘ dacht Veilig Verkeer Nederland, ‘laten wij pakketten maken, dan kunnen scholen fietsles geven op het schoolplein.’ Ziet u het foefje? Ouders stappen in de auto, dus scholen mogen fietsles geven.

Omdat het onderwijsvraagstuk eigenlijk een systeemvraagstuk is, zonder dat we dat scherp adresseren, verschuift een enorme hoeveelheid taken continu naar onderwijsinstellingen. Het wordt een kastje naar de muur verhaal, waarbij uiteindelijk alleen verliezers achterblijven. Maar tot die tijd zitten er dus duizenden leraren met de handen in het haar omdat de ‘Staat van het Onderwijs’ zegt dat de prestaties van onze leerlingen omlaag gaan.

MAATSCHAPPELIJKE N-TERM. 

Ik betwijfel dit ten zeerste. En ik weet dat ik nu mensen tegen het verkeerde been raak, mijn excuses daarvoor. Weet u namelijk wat de N-term in het onderwijs is? Vast niet. Ik heb er zelf ook een tijdje over gedaan om het goed te kunnen doorgronden (lees: om het te geloven). De N-term staat voor normeringsterm. Het houdt in dat de overheid ná de examens gaat kijken hoe goed of slecht een toets gemaakt is, en pas daarná de normering er aan vastkoppelt. In Nederland is het zo dat ook alle klachten die bij het LAKS (Landelijk Aktie Committee Scholieren) binnenkomen, mee genomen worden in de berekening van de N-term. Op deze manier willen ze de moeilijkheidsgraad van het examen ondervangen. Dus, in plaats van te voren de examens goed op het juiste niveau te controleren (wat mij het meeste logisch lijkt), kijken ze achteraf hoe het gemaakt is en bedenken dan pas de normering. Conclusie: Een goede leerling in een slechte lichting heeft een mazzeltje. Een minder goede leerling in een topjaar, vliegt onderuit. En maatschappelijk bekeken: is het altijd een prima jaar.

Afgelopen jaar sprak ik hier met verscheidene beleidsmakers, politici en onderwijswetenschappers over. De rechtszaken waar jongeren voor hun vrijheid vechten als ze op 0,1 zijn gezakt, gaan jaarlijks omhoog. De jongeren zijn natuurlijk ook niet van gisteren. Die voelen aan hun water dat er iets niet klopt. Je bent volledig overgeleverd aan de leeuwen (lees: maatschappelijke tendens) als je examen doet. ‘Maar een examencijfer wordt opgebouwd uit de helft tentamen en mondelinge cijfers‘ is het tegenargument. Ook dat is subjectief.

Sinds ik het wereldtoneel er steeds meer in betrek, kan ik maar tot één conclusie komen: Onze plek op de wereldranglijst van slimme jongeren, levert ons economisch een stevige positie op. Wat een blamage. Wij leven in een maatschappelijke N-term waarbij de politiek ons als systemisch veld verplaatst en beoordeelt, al naar gelang het uitkomt. En wij trappen er in, omdat we graag willen geloven dat het goed of slecht met ons gaat. Stel, dat er een jaar is waarin elke uitkomst ‘zijn gangetje’ laat zien. Hoe ging het? ‘Nou, zijn gangetje.’ Daar worden we onrustig van. Het zegt niets. Het polariseert niet. Noch verbindt. Het is nietszeggend en dat vinden mensen moeilijk. Zeker een samenleving in een polderlandschap. Want, we moeten toch ergens over te praten hebben.

ANALFABETISME. 

Ik bekeek afgelopen week de wereldcijfers van de laaggeletterdheid (er is een briljante website, die ik u niet wil onthouden: www.ourworldindata.org ). En wat ik tegen kwam wierp een aardig lichtje op de zaak. Wat schetste mijn verbazing? Het aantal mensen in Nederland dat analfabeet is (lees: níet kunnen lezen en schrijven) is ongeveer 250.000. Dit is zo’n 1,5% van de bevolking boven de 15 jaar. Het handige aan analfabetisme is dat je er niet mee kunt sjoemelen: Je hebt het of niet. Net als met zwangerschap; je bent het of niet. Net als met fietsen; je dondert om of blijft zitten. Vrij eenvoudig concept. Wereldwijd is het percentage analfabeten ongeveer 17%. Waarbij het in Niger oploopt tot 36% van de bevolking.

Tot hier is het te volgen. Zoals ik al zei; met analfabetisme is het lastig sjoemelen. De troebelheid ontstaat als we het over ‘laaggeletterdheid’ gaan hebben. Wanneer ben je een zwakke lezer? Volgens onderzoek is 10% van onze jongeren een zwakke lezer. Ik werkte jaren met jongens tussen de 16-26 die allemaal rond de IQ80 zaten (veelal met disharmonie in hun profiel), maar als zij de ondertiteling van een Engelstalige film konden volgen, dan hingen we de vlag uit. Waren we trots! Dan konden ze namelijk met hun matties of een meisje naar de bioscoop en de film volgen. Dan veranderde hun eenzaamheid in saamhorigheid. Niet omdat ze opeens Bukowski konden lezen, maar omdat ze zoiets schijnbaar simpels als een ondertiteling konden begrijpen. Ben je dan een zwakke lezer? Of ben je dan, met je IQ80 (met marge van 10) aan het presteren op de toppen van je kunnen?

Als we zeggen dat 10% van onze jongeren een ‘zwakke lezer’ is, dan zouden we voor het gemak meteen ook even het gemiddelde intelligentieniveau van de hele samenleving moeten meenemen. Die beweegt namelijk precies hetzelfde. Daarom hebben we IQ100 ook het gemiddelde gemaakt. Alles daar ver boven of onder, wordt de uitzondering.

In exact dezelfde periode waar ik juichte voor het lezen van ondertitelingen, fietste ik ook een paar keer per week naar de Universiteit van Amsterdam, om daar te ontdekken hoe wetenschappelijke taal functioneert (iets anders heb ik er oprecht niet geleerd). Ik zat in werkcolleges te discussiëren over sociale stratificatie, segregerende indicatoren en de civilisatietheorie van Elias. Was boeiend hoor, daar wil ik niets op afdingen. Maar wat me steeds weer opviel was dat (toekomstige) doctorandussen de neiging hebben om te denken dat zíj de N-term van onze maatschappij moeten weerspiegelen. Dat daar het ideaal ligt. En steeds weer hoorde ik mezelf tijdens een werkcollege hardop uitspreken dat mensen op de universiteit ‘slechts 10% van de samenleving‘ representeren. Hoe kun je als wetenschap dan bedenken dat je de waarheid in pacht hebt?

We lezen niet allemaal Multatuli. We quoten niet allemaal Aristoteles. We dromen niet allemaal weg bij de gedichten van Vasalis. Sommige mensen zijn domweg gelukkig als ze de ondertiteling van een film kunnen lezen. Dít te erkennen, heft ongelijkheid op. Op elke laag. In ons hele land. En dus de wereld.

 

Nederland is de rode lijn:

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.