Het Dreigende Faillissement van het Basisonderwijs

Terwijl de wereld zich doorlopend vernieuwt door innovatieve technologieën, verse inzichten en het besef dat we een leven lang leren, probeert het basisonderwijs angstvallig vast te houden aan een systeem dat duidelijke symptomen van versletenheid vertoont. Een systeem dat ten onder dreigt te gaan aan struisvogelpolitiek en doofpotbeleid. Maar niet door de overheid; die kijkt met lede ogen toe en doet haar best weer wat water naar de zee te dragen. Het doofpotbeleid bevindt zich voornamelijk binnen de onderwijsorganisaties zelf. Als het basisonderwijs niet in staat is om komend schooljaar de schellen van de ogen te laten vallen en systemische veranderingen aan te gaan, zal een dreigend faillissement niet te voorkomen zijn.

Uiteraard zal de ‘school’ niet zomaar failliet gaan: Een eeuwenoud concept, dat altijd nieuwe vormen zal vinden. Afgeleid van de oude Grieken, inspirerende wijsgeren die flanerend door de Stoa hun levenskennis deelden. Maar dat het – hoe dan ook – veranderen zal is evident. Elke tijd kent immers haar eigen gestolde vorm van onderwijs. Of je nou in een tribe bij een natuurvolk vertoeft, of tussen de monniken in kloosters. We zullen altijd leren. Dat die collectieve behoefte baat heeft bij een gestolde, georganiseerde vorm, is niet eens zo gek bedacht. Maar hoe is het ons, als samenleving dan toch gelukt om datzelfde leerproces te smoren met bureaucratische regelgeving en starre opvattingen over de ‘uitverkorenen’ die dat proces mogen vormgeven? En waarom dreigt er aan de horizon een faillissement, terwijl we best zouden kunnen reorganiseren en het concept in stand houden?

De Uitverkorenen.

Een leraar primair onderwijs volgt normaliter een Pabo-opleiding van vier jaar. Als je eenmaal het papiertje in handen hebt gaan de schooldeuren open en word je koud geconfronteerd met een klas van pak ‘em beet 28 kinderen en 56 ouders – aangetrouwde familie niet meegerekend. Opeens ben je naast didactisch- en pedagogisch specialist ook manager over zo’n 84 mensen en word je geacht het hele proces in goede (en vooral succesvolle) banen te leiden. Vooral in het digitale tijdperk waar iedereen parallelle werelden bedient, is dat een enorme opgave. Leer je dit op de Pabo? Nee. Immers, je primaire taak is lesgeven. Onderwijzen. Kennisoverdracht, vaardigheden, creativiteit ontsluiten en kinderen een maatschappij vriendelijke attitude aanleren. Dat is wat je te doen staat, denken ze op de Pabo. De rest – 84 mensen managen en het bestuur administratief tevreden houden – is bijzaak.

De overheid doet er van alles aan om het uit de hand gelopen lerarentekort zo snel mogelijk op te lossen. Wat van een afstandje een ludiek schouwspel oplevert: Opleidingen worden verkort, collegekosten gehalveerd en gemeenten bieden huizen en parkeerplaatsen aan, zodat het aantrekkelijk wordt om kostenbesparend in de grote stad te leven. Er is te weinig geld en de overheid moet het stante pede oplossen. Een pleister op de wonden die je daarna op de werkplek oploopt. Daar zit je dan in je nieuwe, Randstedelijke huis, met je fijne parkeerplek en een inter-dimensionale werkdruk waar je niet goed van wordt. Een snoepje dat je vroeger als troost kreeg, voor de schaafwond na het vallen van je fiets. Korte termijn geluk. Niets anders dan dat. Al realiseer je je dat pas als je opgebrand de zomervakantie in gaat.

Lesgeven is een complexe taak!’ wordt er regelmatig geroepen door behoudende leraren, die hun beroep en de schijnbare lichtzinnigheid van hun diploma willen verdedigen. Gevolgd door het hartchirurgen-argument (‘Zou jij geopereerd willen worden door een hartchirurg zonder diploma?’). Het papiertje is heilig. Je mag uitsluitend voor een klas staan áls je een papiertje hebt. Of bereidt bent het te halen. Met een papiertje ben je de uitverkorene. Dan mag je meespelen.

En het klopt: Lesgeven is absoluut geen kattenpis. Elke leerling verschilt, waardoor je als leraar zowel didactisch als pedagogisch voortdurend schakelen moet (al ervaart de doorgewinterde leraar dit vaak als tweede natuur). Contextuele situaties spelen een constante rol en dan is het ook nog de bedoeling dat je overzicht bewaart. Mensen die dit voor elkaar te krijgen verdienen de hoofdprijs: Een goed salaris en waardering van de samenleving. Maar bovenal creatieve ruimte om hun professioneel handelen te blijven ontwikkelen. Alleen op die manier kun je meebewegen en anticiperen op processen die door leerlingen de school worden ingebracht. Dit artikel is absoluut geen betoog tégen de leraar. In tegendeel.

De Stille Reserve bestaat niet.

Onlangs betoogde een basisschoolleraar in het Parool dat er met gemak genoeg leraren te vinden zijn, al zien we ze niet. Maar is dat wel waar? Ze had het niet over getalenteerde levenskunstenaars die je avontuurlijk de dagen door laten dansen. Over verhalenvertellers waar je stil van wordt. Ze had het níet over de mensen die je optillen naar de betere versie van jezelf en je inspireren om meer kennis op te doen dan je denkt dat je aan kan.

Ze sprak over mensen die les-mogen-geven, maar het niet doen. De ‘Stille Reserve’ worden ze gekscherend genoemd. Alsof ze ergens op een bankje zwijgend zitten te wachten. Ongeveer 31.000 in het primair onderwijs. Mensen met een diploma-om-les-te-mogen-geven. Maar laten we eerlijk zijn; een diploma maakt je nog geen leraar. Een echte leraar, iemand die het onderwijzen in de vezels heeft, laat zich niet leiden door een papiertje. Laat zich niet beperken door een schoolgebouw, een bureaucratisch kader of lestijden tussen acht en vier. En veel van die echte onderwijzers, die ooit een lerarenopleiding volgden om hun talent meer draagkracht te geven, zijn nu allang ergens aan het onderwijzen.

Freek de Jonge, Bert Visscher, Harry Jekkers – allemaal mensen met een lerarendiploma die een andere vorm kozen. Ogenschijnlijk iets anders, maar stiekem hetzelfde. Want leren doen we levenslang en overal. De mannen van NUHR, Vigo Waas en Peter Heerschop, idem dito. En zo kunnen we nog wel even doorgaan. De Stille Reserve? Theoretisch een voltreffer. En volgens de juf uit de krant moeten ze meteen terugkomen naar het schoolgebouw. Maar terugkomen doen ze niet. Net zoals de tienduizenden oud-leraren die coach, psycholoog, bloemist of alpine klimmer werden. Allemaal mensen met een diploma-om-les-te-mogen-geven, maar die allang weten dat een diploma niet het noodzakelijke ingrediënt is om te kunnen onderwijzen. Als je het eenmaal kunt, blijf je het je hele leven overal kunnen. Net als fietsen en vrijen. Daar hangt geen diploma of schoolgebouw aan vast.

Het Oplopende Lerarentekort.

Op 30 augustus stonden er in Amsterdam 98 vacatures open voor de functie leerkracht basisonderwijs. Als je uitgaat van groepen rond de 25 leerlingen, was er volgens deze feiten op 1 september voor zo’n 2.450 Amsterdamse kinderen geen juf of meester. Stopt hun leren dan? Nee, natuurlijk niet. Maar hoe hun dagen er uit zullen zien is een vaag raadsel. In Amsterdam zijn negen grote schoolbesturen actief (>12 scholen) en een twintigtal kleinere, die gezamenlijk ongeveer 200 primair onderwijsscholen besturen. Hoe zij zullen handelen komend schooljaar is nog onbekend. We kunnen enkel raden. Het tekort laat verschillende scenario’s zien die per schoolbestuur verschillen. Onderwijsbesturen zijn onafhankelijke werkgevers die eigen keuzes maken. Maar niet kiezen is ook een keuze. En kies je niet, dan is het maar al te vaak zo dat de pijnlijke realiteit je inhaalt en jij met de gebakken peren zit.

Bovendien zijn struisvogelpolitiek en doofpotbeleid geen aanraders binnen het publiek domein (politie, onderwijs, zorg en gemeente). Het levert op den duur vooral gedoe. Veel gedoe. Een onderbelicht kenmerk van dat publiek domein is namelijk dat veld-specifieke problematiek regelmatig andere velden in haar ondergang meesleept. Staakt de politie? Dan merkt niet alleen de burger dat, maar ook de ambulante zorg en brandweer. Zijn de ziekenhuisbedden op? Dan merkt niet alleen de burger dat, maar ook de gemeente. Zijn de leraren boos? Dan merkt niet alleen de burger dat, maar ook de gemeente en zorgsector. Kortom: Als er één schakel in het publieke domein verschuift, moeten alle velden mee. Waardoor de gehele samenleving op den duur in de war raakt.

Daarnaast is de burger – klant van het publiek domein – niet meer net als vroeger volgzaam en afwachtend. De burger van vandaag is ondernemend en luid. Die kent zijn wegen op het digitale web en weet, dankzij technologie, snel verbinding te leggen met gelijkgestemden. Een burger van vandaag kan bovendien sneller schakelen dan bureaucratische processen kunnen bewegen. In kortere tijd dan de overheid heeft de burger allang bottom-up iets opgezet en een versnelling gecreëerd. Zo ontstonden o.a. Thuisafgehaald, Peerby en tientallen apps die diensten bieden om samenleven simpeler te maken, zonder inmenging van politiek of overheid. Waarom zou dat straks met zo’n gigantisch lerarentekort dan niet gebeuren? Natuurlijk lost de burger ook dat, in samenwerking met de markt, wel op.

Koffiedik Kijken.

Als de schellen binnenkort niet van de ogen van de onderwijsbestuurders vallen en er geen systemische verandering plaatsvindt, zal de ‘school’ als concept niet failliet dreigen te gaan; maar enkel de huidige vorm. Oude problemen los je niet op met oude methodes. Je zult nieuwe interventies en creatieve noodgrepen moeten toepassen. Op zijn minst voor de korte termijn tot het fundament hernieuwd is. De vraag is enkel of de onafhankelijke onderwijswerkgevers zich dat beseffen.

Zo zou een eerste oplossing kunnen liggen in de verbinding tussen school en kinderdagopvang. Het merendeel van de buitenschoolse opvangen (BSO’s) biedt al jaren educatieve elementen aan. Ook bestaan er kinderdagverblijven waar kinderen van vier jaar (nog niet leerplichtig) langer mogen blijven. Waarom overwegen scholen die kampen met een tekort niet om tijdelijk groep 1 weg te bezuinigen en leerlingen te laten beginnen als ze vijf zijn? Dat genereert op jaarbasis zo een paar duizend leraren, die vanzelfsprekend in de hogere klassen aan de slag kunnen. De staatskosten tussen de dagopvang (€6,95) en de school (€6,91) verschillen bovendien slechts €0,04 belastingcenten per dag en één ministerieel gebouw in Den Haag.

Een tweede, tijdelijke oplossing focust op het pedagogisch aspect van de socialisatie die onderwijs aan kinderen biedt. Stel dat hoogopgeleiden van gedragsgerichte faculteiten tijdelijk klassen zouden draaien? De beroepsgroep zou onmiddellijk in omvang toenemen en andersoortig talent zou op die manier de school binnen wandelen. Als een hedendaagse smeltkroes van werkwijzen en handelingsbekwaamheid, die kan leiden naar verhoogd rendement en kortere lijnen. Het idee raakt nauw aan de werking van de Integraal Kind Centra (IKC’s) die de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond ploppen en succesvol blijken.

Vanzelfsprekend rijst er bij de kennisfetisjisten onmiddellijk de angst dat vakinhoudelijke kennis verdwijnt (‘oh jee, hoe leren ze nu spellen, vermenigvuldigen en het metriek stelsel?’). Maar zo’n vaart zal het heus niet lopen. Kennis is van immens belang om tot creativiteit en ontwikkeling te komen. Een bekend voorbeeld om deze stelling te versterken is, dat je enkel eiken en beukenbomen van elkaar kunt onderscheiden als je weet wat een boom is. Alles begint bij kennis. Maar, hoe die je die kennis vergaart kan variëren. Dat kan net zo goed door een boswandeling met een verhalende begeleider, als door in een boek plaatjes van boombladeren te detecteren. En wellicht is die boswandeling zelfs gezonder, leuker en opent het meer nieuwsgierigheid dan een boek, dat nota bene van diezelfde boom gemaakt is…

Een derde oplossing: Alle overbodige taken van het befaamde ‘normjaartaakurenlijstje’ weg strepen. Dat levert je zo een paar uur per week extra. Een leraar die voltijd op papier staat, werkt 1659 uur per jaar. Alle uren die niet ‘direct’ weg te schrijven zijn in directe lessen, worden in werkgroepjes, commissies, vergaderingen, onderhoud van de eigen professie, voorbereiden en nakijken gestopt. Regelmatig moeten teamleiders taken bedenken, omdat iemand anders ‘niet aan zijn uren komt’. Het moet immers wel eerlijk blijven naar de collegae. De school werd op die manier een fabriekssysteem nieuwe stijl. Juist dit laatste slurpt energie van de betrokkenen. Een reguliere schooldag vraagt echter zoveel alertheid van een mens dat het daarom geen gek idee zou zijn om deze ureneis terug te schroeven naar 1400 uur per jaar, waarbij onnodige bureaucratie geschrapt wordt. Oneerlijk? Welnee, de intensiteit van het vak verschilt immers met die van een kantoorbaan. Als de school zou kiezen voor efficiëntie in plaats van urenregistratie, kan dat met gemak geregeld worden. Vanuit intrinsieke motivatie bijdragen aan een systeem, genereert bewezen een betere gezondheid en meer werkgeluk. Zowel voor leerlingen als voor leraren.

Dan zou er nog een vierde, tijdelijke oplossing kunnen schuilen in artikel 5 sub B. Een voor u, vermoedelijk onbekend artikel uit één van onze onderwijswetten. Afkomstig uit de Leerplichtwet 1969, duidt Artikel 5 sub B het recht op thuisonderwijs. Ouders die geen aansluiting vinden tussen de stroming van een school en opvoeding thuis, kunnen aan de hand van uitgebreide documentatie, om vrijstelling van onderwijs vragen. Los van ideologie loont het de gedachte wat zo’n wet voor het collectief in penibele tijden zou kunnen doen? Het antwoord is: veel. Bovendien hebben alle schoolbesturen geld over als ze leraren tekort komen. De Lumpsum wordt immers bepaald aan de hand van de teldatum 1 oktober, het schooljaar daarvoor. Waar gaan al die overgebleven euro’s naartoe?

Regels (lees: wetten) zijn ooit bedacht met goede intenties, om te beschermen. En bij stoplichten doen ze hun werk uitermate goed. Maar als regels beperken en ze niet te veranderen zijn, dan moet je ze creatief inzetten en voor je laten werken. Werkt de BSO niet mee of heerst ook daar een personeelstekort? Dan is het voor ouders niet onmogelijk om een groepje kinderen te verzamelen en op die manier een mini-schoolconcept na te bouwen. Op het moment dat je als ouder onder Artikel 5subB thuisonderwijs start, raak je los van het systeem en is er meer ruimte voor zelforganisatie. Stel dat een aantal ouders uit dezelfde wijk dit doet, er vervolgens een zelfstandige pedagogisch werker en een digitaal lesprogramma aan koppelt, met concrete leerdoelen, dan speel je het spelletje nog volgens de wet ook. Niks aan de hand. Dan heb je, voor je het weet, een mini eco-systeem gebouwd dat de functie van onderwijs vervult en ook nog eens meehelpt de kinderopvang te hacken.

Eén van de diepst gewortelde struisvogels in het basisonderwijs is het feit dat school in de 21ste eeuw tevens de functie van kinderopvang heeft. Het is vloeken in de onderwijskerk. Want de school moet er voor de ontwikkeling van de kinderen zijn, in plaats van praktische problemen van werkende volwassenen op te lossen. Maar, wist u dat ‘in den beginne’ de leerplicht (die eigenlijk ‘schoolplicht’ had moeten heten) helemaal niet zo gewenst was in de samenleving? Volwassenen vonden het buitengewoon lastig dat hun kinderen niet meer konden meehelpen in de winkel of op het land en dat ze naar school moesten. Maar een kind had recht op onderwijs – punt. Heel charmant is zo de zomervakantie ontstaan; dan kon er in ieder geval zomers geholpen worden met de oogst.

Kansen.

Het is niet de intentie geweest, vast ook niet verlangen. Maar het is nou eenmaal zo gelopen dat, door de komst van tweeverdieners, emancipatie en een hogere levensstandaard, het buitengewoon handig is dat een school je kinderen ‘onderhoudt’ tot je klaar bent met werken. Dat ze er ook nog iets leren is mooi meegenomen, maar het is een kip-en-het-ei-gevalletje over wat straks meer pijn doet: Het besef dat de leercurve onderbroken wordt of dat de opvang logistieke rampen teweeg brengt? Om haar functie te behouden en dreigende faillissementen te voorkomen, zal de school op korte termijn helder en doortastend haar toegevoegde waarde moeten tonen en – net als de rest van de wereld – doen wat nodig is. Innoveren, openheid tonen en meegaan met de realiteit van vandaag. De kans ligt er.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.