‘het gaat wel’

Het ging wel, maar eigenlijk ging het niet. ‘Ach,’ zuchtte hij. Hij trok zijn schouders op. Binnen zijn reactieve beroep in het veiligheidsdomein liep hij voortdurend achter de feiten aan. Letterlijk. Daar konden zijn eigen feiten dan ook nog wel bij. Niemand keek toch op of om. Met z’n allen in hetzelfde schuitje. En daar wilde ik tussendoor geschoffeld met inspiratie het even anders te doen. ‘Ach’…

We dronken koffie. En toen nog een. Hij vertelde over zijn eerste casus. Ik over mijn laatste. Hij vertelde waarom hij ooit begonnen was. Ik over waarom ik stopte. Hij vertelde over zijn afkeer tegen delinquenten. Ik over mijn compassie voor ze. En daar begon ons gesprek. Ogen gingen aan.

Hoe ik het in mijn hoofd haalde empathie te hebben voor de criminele kant van de samenleving. Waarom ik geholpen had. Waarom ik ze verdedigde – terwijl ik vond dat ik verklaarde en niets verdedigde. Een delict is een delict. Zo klaar als een klontje. Maar achter het delict ligt een verhaal. Waar ik me om bekommer, bij gebrek aan een beter woord. Mijn ijdele bijdrage om de wereld minder naar de klote te laten gaan ligt bij dat verhaal. In dat stukje waar nog nèt niets fout gaat. Waar nog niets gewond, geraakt, bestolen, bedrogen, verkracht of kapot gemaakt wordt. Daar, in die luttele seconden waar nog niet niemand weet welke schade er volgt. In die seconden geloof ik.

In tientallen gesprekken heb ik daders herinnerd aan die seconden. Aan dat moment. Soms tot vervelends toe. Speurend naar de blik waar het inzicht zich schuil houdt. Het bewustzijn dat vertelt of het een keuze was. Was het dat? Had je een keuze of koos het moment jou? In de hulpverlenende positie die ik had was daar bovendien meer ruimte voor.

‘Naïef’ noemde hij het. ‘Integendeel’ antwoordde ik. De enige reden dat ik in wonderen geloof is omdat ik ze meegemaakt heb. Teveel om op twee handen te tellen.

‘En wat doe jij dan?’ vroeg ik. ‘Hoe zorg jij dat we niet naar de klote gaan met z’n allen?’. ‘Ach’ zei hij. Plots herinnerde hij zich weer dat hij eigenlijk niet met me praten wilde. Even was hij uit zijn rol. Even was er passie. Maar het mocht niet. Want voor je het weet moet je veranderen en nieuwe werkwijzen uitproberen. Ik was sowieso te gelukkig. Ik snapte zijn wereld niet. Die was immers slecht. ‘Je mag wel een dag mee als corona voorbij is…’. Ik zweeg. Want nu wist ik het even niet.

Tot ik me realiseerde dat ik nu zelf geraakt was. De man die iedereen veilig wilde houden, had mij onbedoeld de laan uitgestuurd. ‘Zeg! Met je ach.’ Ik keek hem strak aan. Hij mij. ‘Denk je dat je de enige bent? Denk je dat gelukkige mensen geen ellende kennen? Gelukkige mensen hebben níet minder ellende meegemaakt, ze hebben alleen gekozen om er op een andere manier mee om te gaan.’ Ik voelde me geirriteerd. Een slecht teken. Want een goede professional laat zich natuurlijk nooit raken.

‘Waarom ben je met je oude werk gestopt?’ vroeg hij. ‘Het ging wel,’ zei ik. ‘Maar eigenlijk ging het niet.’ Hij stond op, schonk een derde bak koffie in. ‘Heb je nog even…?’ Ik knikte.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

© 2021 Annette Dölle . Theme by Viva Themes.
%d bloggers liken dit: