Er lijkt geen gebalanceerd midden te bestaan als het aankomt op de smartphone in onze scholen. Je moet kant kiezen. Voor of tegen zijn. Maar wat als je genuanceerd bent? Tegenstander bent in veel situaties, maar ook ziet waar het belangrijk is om voorstander te zijn. Of, waar je zelfs hardop zegt dat je het nog niet weet.
In dit artikel neem ik je mee naar een les Nederlands op een VMBO waar de klas en ik ooit besloten om whatsapp als lesmiddel in te zetten. Ik vertel je wat we ontdekten en leerden, en waarom ik dat toen – maar ook nu nog steeds – belangrijk vind. We springen naar enkele onderzoeken die de afgelopen jaren hebben bekeken welke effecten de smartphone op jongeren en de school heeft. Daar haal ik de politiek bij. En ik koppel het omstanderseffect aan ons collectieve gedrag op digitaal-technologisch gedrag. Dan sluit ik af met de gedachte dat we hier met meer realiteitsbesef en ontwikkeling naar moeten kijken. En wil ik je vast waarschuwen – Of je voor of tegen bent, maakt dan eigenlijk niet meer uit.
________________________________________________________________________________________________________
‘Oké,‘ zei ik die ochtend tegen een 2e klas VMBO-T van een middelbare school ergens in het land. ‘We schrijven een vervolgverhaal in whats-app. Iedereen schrijft één zin van het verhaal, daarna vult de volgende het verhaal aan. En elke week in de klas bekijken we hoe het gaat.’ Het leek me een briljant goed idee. Een les waar we onderzoekend iets zouden onderzoeken. En leren. Maar wat, dat wist nog niemand van ons.
Een meisje vulde aan dat we meer afspraken nodig hadden, omdat whatsapp heel ‘ingewikkeld’ is. ‘Je ziet elkaar niet, en weet ook niet wat iemand aan het doen is als je een bericht stuurt.‘ Er kwam discussie opgang of je direct moet reageren als je iets ontvangt. ‘Misschien gaan sommige kinderen later slapen dan anderen en dan worden ze wakker van de piep‘ zei iemand anders.
Wat ik hoopte gebeurde: Er ontstond een gesprek op bewustzijnsniveau, waarbij de leerlingen aan de hand van een concreet project tot nieuwe digitale gedragsafspraken kwamen. De weken ervoor was het tijdens mijn les een komen en gaan van klachten over online gedoe dat na school plaatsvond. Ouders konden weinig doen, want die zaten niet in de whatsapp groepen en bovendien heeft niemand 24uur per dag zicht op het leven van een tiener. Ik vond het meer dan logisch dat deze situatie baat had bij een goed gesprek. Om van daaruit gezamenlijk te ontdekken hoe het zou moeten. Want ook ik had geen idee over wat het juiste was. Níemand had een idee. Het was 2017.
Pedagogiek, methodiek en Evidence Informed werken
Tijdens het experiment gaf ik Nederlands en gebruikte (uiteraard afgestemd met de sectie) de actualiteit in de maatschappij in mijn lessen. Daarbij legde ik gepaste autonomie bij de leerlingen: Zij waren mede-eigenaar van hun leerklimaat (methodisch ingegeven door de Jenaplan en Freinet visie). De leerlingen waren hierdoor gewend dat ze inspraak hadden tijdens onze les. We voerden dialogen (aan de hand van het ‘Lagerhuis model‘) o.a. over de bruikbaarheid van Pokemon Go, de opkomst van rechts (en wat rechts überhaupt is), nieuwsartikelen die ’s ochtends in de Metro krant stonden en dus ook over ‘online gedoe’.
Begrijpend lezen, spelling en grammatica koppelde ik zoveel mogelijk aan hun belevingswereld. Maar wat elke les glashelder was, was dat ik het morele kompas bediende en niemand daar aan twijfelde. Dit is noodzakelijk om een veilig pedagogisch klimaat te creëren.
.

.
.
Zo kwam op een goede dag ook de problematiek van de online wereld op ons dialogen-pad. De obstakels vonden vooral plaats op Snapchat, Instagram en Whatsapp. Ze bevroegen elkaar over oplossingsrichtingen, maar elk idee leverde een machteloze ‘ja, maar’ op. Onze conclusie was uiteindelijk dat ‘niemand gelukkig lijkt te worden van sociale media. Maar dat ook niemand in staat lijkt om de grens te bewaken‘.
In een tienerleven beslaat deze conclusie veel meer dan enkel social media gedrag. Ze vertelden me hoe ze elkaar in- en uit groepen zetten, wie midden in de nacht appjes verstuurde en hoe leerlingen van verschillende scholen elkaar bedreigen. En dat er geen checkvragen werden gesteld, zoals we dat in de dialooglessen wel leerden. Het verschil tussen de analoge en digitale wereld was helder, maar ook diffuus.
Het liet me zien hoe ongelofelijk belangrijk het was is om vanuit de school te werken aan hun autonome denkpatronen, het besef (en kennis) over hoe communicatie werkt en het respecteren van de ander. Grote doelen die een schoolcarrière duren, maar die je absoluut in de lange lijn van je pedagogisch klimaat moet meenemen. Hier ontmoeten je onderwijskundige visie en evidence-informed werken elkaar.
De Adolescentie-Queeste
Processen ontvouwden zich met de snelheid van het licht in asynchrone tijdseenheden. Denk- of bezinkingsruimte was volledig verdwenen. En dan ook nog eens binnen zo’n context je grenzen vinden èn aangeven is een Olympische sport. Dat een tiener hierin begeleid moet worden is eerder logisch dan gek.
Sommige leer- en lesdoelen zijn randvoorwaardelijk om bij andere leerdoelen te kunnen komen. Bijvoorbeeld bij het vak Nederlands: Om goede zinnen te kunnen schrijven (en een bericht aan iemand) is het noodzakelijk basale grammaticale kennis te hebben. Om teksten te kunnen begrijpen (en te kunnen bijdragen en meedoen in de maatschappij) is het noodzakelijk je te kunnen inleven in de schrijver. Hiervoor moet je vragen kunnen stellen en open staan voor hoe een ander denkt. Dit zijn veel vaardigheden die elkaar raken. En waar je bewust aan werkt. Alles raakt aan elkaar. Op zo’n zelfde manier kijken kun je ook doen voor media-wijsheid of ‘digitale omgangsvormen’ (ik verzin maar even een vak).
Voor een tiener is dit een enorme opgave. Maar het is ook een proces dat niet beperkt mag worden door het wegnemen van ervaringen en nieuwe ontdekkingen. Jonge mensen zijn bezig om zichzelf te leren kennen en zich te verhouden tot wie ze willen zijn. Precies doen wat een ander zegt maakt dat complex. Maar in dat warrige proces is nog veel te leren. Er ontbreekt immers ook levenservaring, waardoor vergelijkende contexten missen. Dit maakt lesgeven aan tieners belangrijk. En het opdoen van ontdekkingen net zo!
Zodra je als school deze adolescentie-queeste erkent en doorziet, ontstaat er voor de leerling een persoonlijk belang om betrokken te zijn. Je vraagt ze te balanceren tussen ruimte en grip. Tussen sturing en loslaten. Het is een Hero’s Journey in de puberteit.
De roep uit het onderwijsveld om smartphones te verbieden
Om enige verwarring toch te voorkomen is het belangrijk te begrijpen dat ik zeker níet tegen het verbieden van een smartphone in de klas ben. Maar ik ben ook niet volledig voor. Sterker nog, ik ben voor strenge regulering en kaders. Met name op de middelbare school. In het primair onderwijs is een verbod vanzelfsprekend – Daar zou in de bovenbouw de bewustwording juist moeten beginnen.
Maar wat we als samenleving niet moeten doen is de smartphone met het badwater de school uit gooien, en daarmee onze onderwijskundige taak verwaarlozen.
Besluit je om de smartphone op de middelbare school te weren? Blijf dan in gesprek met leerlingen, onderzoek hun ruimte, en begeleid ze bij deze bewustzijnsontwikkeling zodat ze autonoom leren om beslissingen te nemen. Voorkom ten alle tijden dat de smartphone enkel verdwenen is omdat ‘jullie het zeggen’.
Dat dit thema al speelde voordat corona uitbrak, laten zowel de Onderwijsraad als het Alfrink College uit Deurne zien. De pedagogische bedding van deze school is zó helder en duidelijk, dat je onmogelijk tegen dit besluit kunt zijn. Leraren op deze school delen al jaren op een open manier zijn ervaring en visie. Ook de Onderwijsraad adviseert al sinds 2017 dat er veranderingen moeten komen in de manier waarop zowel de politiek als het onderwijsveld op een andere manier met de opkomende digitalisering moeten omgaan. In het rapport ‘Doordacht Digitaal‘ leggen ze een drietal voorstellen neer, waarbij het onderwijsveld meer ruimte en betrokkenheid moet krijgen om zich te ontwikkelen in digitale deskundigheid. Door middel van kleine experimenten moet dit leiden naar meer expertise. Je kunt immers alleen maar leren als je het ook uitprobeert. Niemand leert zwemmen uit een boekje. Wat dat betreft wordt de leraar zeer serieus genomen. En is het evident dat die moet ‘mee ontwikkelen’ binnen het thema.
In 2022 schreven ze een vervolgrapport, en werden er ook door de politiek honderden leraren uit het veld bevraagd. Experts zoals hoogleraren Compernolle, Kirschner en Valkenburg deelden hun blik met de kamer en nog voor de zomer van 2023 lag er een politiek concept idee op tafel: Het advies om de smartphone het schoolgebouw uit te halen. Op het oog wellicht een snelle opvolging, maar achter de schermen werd er ook door verscheidene universiteiten al decennia onderzoek gedaan. Deels naar de smartphone en veelal naar de effecten van digitalisering in het algemeen.
Het WhatsApp Experiment
Even terug naar het klassikale Lagerhuis-debat over ‘online-gedoe’ en het daaropvolgende whatsapp-experiment in 2017. ‘Mevrouw, kunnen we geen les doen in whatsapp. Dan leren we het te gebruiken.‘ We waren er allemaal stil van. Ik vond het niet eens zo’n slecht idee. Whatsapp gaat over geschreven taal, dus zou de Nederlandse opdracht daar prima op aan kunnen sluiten.
Vroeger op de Pabo leerden we al dat ‘hoe losser de les oogt (lees: gym, muziek), des te strakker je voorbereiding moet staan‘. Dit volledig uit de comfortzone vallende experiment vroeg duidelijk om strakke voorbereiding: Eerst inventariseerden de leerlingen en ik individueel de leerdoelen van dit experiment (brainstormen gaat nou eenmaal beter als je eerst in je eentje mag nadenken). Daarna bespraken we de meest prangende vragen en aannames, zodat we alles goed doordacht hadden (de zelfdeterminatietheorie in vol ornaat). Ik had als leraar de leiding, en wanneer ik – als monitorende factor – merkte dat leerlingen zich onprettig voelden, zouden we meteen ophouden. We noemden het een leerzaam experiment – Niemand hoefde iets goed te doen.
Vol goede moed gingen we aan de slag. En: Een week later stopten we het experiment. Of het gelukt is of faliekant de vernieling in is gegaan, weet ik nog steeds niet. Onze leerdoelen zijn gehaald. Dat wel.
“Wat is er gebeurd ?“
Ten eerste waren sommige leerlingen de afspraken uit onze les spontaan vergeten toen ze thuis kwamen. Het is bekend dat ons brein soms situationeel met regels omgaat. Dan ben je op plek A volledig overtuigd van de afspraak, maar is op plek B is de afspraak weg of verdraai je het onwillekeurig naar een nieuw verhaal. Ik ken de onderzoeksresultaten onder tieners niet, maar het zou me niets verbazen als dat percentueel hoog uitvalt.
Vervolgens hadden sommige leerlingen kritiek op de verzonnen tekst van de persoon die voor hen aan de beurt was om het verhaal verder te brengen. Daardoor ontstond er dialoog in de app in plaats van een verhaal. En raakte iedereen in de war over welke tekst bij het verhaal hoorde.
Ook het tijdstip waarop iemand schreef (of niet snel genoeg reageerde) bleek een onoverkomelijk geschil. Terwijl we hadden afgesproken dat iemand max. 24 uur mocht nadenken over een zin in het vervolgverhaal, was dat voor sommige leerlingen in de praktijk veel te lang.
En, één van de grootste obstakels (dat we voorzien hadden, maar door AVG regels niet anders in te kleden was) was dat ik niet in de whatsapp-groep zat en ze een paar dagen geen les van mij hadden gehad: De interval was te groot.
Ons geluk was dat zowel onze voorbereiding als reflectie meer dan uitmuntend waren, waardoor het tussenstuk er eigenlijk niet zoveel toe deed. De ervaring van het proberen was nodig geweest om daarna tot nieuwe inzichten te komen. Voor de hand liggende inzichten wellicht – maar voor een tiener nog steeds een belangrijke ervaring. We hebben gezamenlijk geleerd dat je 1.) een probleem op meerdere manieren kunt onderzoeken. 2.) Dat fouten relatief zijn als je het als een leerproces bekijkt. En 3.) dat je nooit genoegen moet nemen met de gedachte dat je níets kunt doen.
De eerste onderzoeken over de Smartphone-vrije school
Februari 2025. Plotseling stond het in de krant en werd het volop gedeeld. Een Brits onderzoek dat aantoonde dat smartphone-vrije scholen niet per definitie beter zijn, omdat tieners hierdoor thuis des te meer blijken te scrollen, chatten en tiktokken. ‘Mooi’ dacht ik eerst. ‘Oh jee‘ dacht ik daarna.
Het onderzoek is een cross-sectional observatiestudie. Dit betekent dat er data verzameld en geanalyseerd is, zonder verdere beïnvloeding. De onderzoekers kozen voor smartphone-tolerante scholen (406 participanten op 10 scholen) naast smartphone-beperkende scholen (817 participanten op 20 scholen) . Deze gegevens legden ze naast de Warwick–Edinburgh Mental Well-Being Scale (WEMWBS) en vergeleken ze met elkaar. Ze kwamen tot een voorzichtige analyse dat het welzijnsprobleem van tieners (in relatie tot de smartphone) zich van school naar huis verplaatst heeft.
Wat vertelt ons dit? Wat laat het zien?
Het vertelt weinig. Enerzijds door de demografische impact. Maar ook omdat we dankzij een artikel van Unesco al weten dat het minstens 20 minuten vraagt om weer te focussen na het non-educatief gebruik van zowel de computer als mobiele telefoon. Het belang van focus ligt op school uiteraard anders dan thuis. Dit onderzoek richtte zich vooral op welzijn en niet op schoolprestaties, concentratie en klassikaal gedrag dat impliciet bij kan dragen aan welzijn.
Dit was trouwens niet het eerste onderzoek naar de effecten van een smartphone-vrije school. Een jaar eerder (2023) kwam BERA (British Educational Research Association) met een interessant onderzoek waar ze de effecten van de smartphone naast de PISA score legden: “Initial analysis of [..] PISA suggests that mobile phone bans might help with reducing student distraction in school. However, our examination of student outcomes and phone bans has revealed an inverse relationship: the more a country bans phones, the lower their PISA score. When controlling for gender, school behaviour and socio-economic status, phone bans are still negatively associated with PISA results in OECD countries.” [bron]
Een ander onderzoek dat ook absoluut het lezen waard is: ‘Evidence for and against banning mobile phones in schools: a scoping review’ van Marilyn Campbell et al (2024). Dit team vergeleek 22 studies met elkaar vanuit de onderzoeksvraag of ‘het gebruik van mobiele telefoons op school impact heeft op schoolprestaties, mentale gezondheid, welzijn en cyberpesten.‘ Wat dit onderzoek zo de moeite waard maakt is dat het een tijdlijn laat zien van onze collectieve processen in relatie tot de smartphone. Verscheidene onderzoeken passeren de revue. Je krijgt als lezer een kijkje in de onderzoekskeuken zonder dat er grote beslissingen of stellingen worden ingenomen. Campbell geeft overigens aan dat dat ook nog niet kan – de stellingname of het goed of fout is.
We leven in een liminale tijd waar ervaringen en veel reflectie nodig hebben om te ontdekken wat werkt en wat niet. De essentie is of ‘we’ die ruimte willen nemen, of dat we continu nieuwe conclusies blijven trekken. En die vervolgens op iedere jongere op de planeet vastplakken. Want, over één ding zijn alle onderzoekers het absoluut al eens: one-site-fits-all is niet de weg. Dit vraagt om maatwerk. We zullen dus sowieso open moeten blijven kijken, om op voor iedereen gepaste en verrijkende digitale werkwijzen te vinden.
Omgangsvormen leer je door met elkaar om-te-gaan
Recent onderzoek geeft een duidelijk beeld over de gedragscultuur die in deze tijd ontvouwt en hoe we daarin wel spelers moeten blijven. In plaats van ons als slachtoffer op te stellen. Het goede nieuws is dat gedragscultuur altijd in beweging te krijgen is! Daar moet je natuurlijk wel iets voor doen. Ook ouders en andere volwassenen horen er bij. De smartphone is geen schoolprobleem, maar een maatschappelijk vraagstuk. Dus zul je het ook op die manier moeten gaan bekijken. In gezamenlijkheid met alle betrokken doelgroepen.
Eén van de onderzoeken waar dit erg mooi in naar voren komt is dat van Jenny Radesky – ‘Constant Companion: A Week in the Life of a Young Person’s Smartphone Use‘ (2023). (Sowieso is Radesky een feest om te lezen op dit gebied). Niet schrikken, dit onderzoek laat namelijk zien dat het vooral controlerende ouders zijn die tijdens schooltijd hun kinderen storen met tekstberichten…
Ook in haar onderzoek ‘Maternal Mobile Device Use During a Structured Parent–Child Interaction Task‘ (2014) komt dit naar voren. Dit ouderlijke gedrag komt uiteraard voort uit zorg en betrokkenheid, maar met een uitwerking die zeker niet gewenst is. Net zoals jongeren moeten leren met de smartphone om te gaan, moeten volwassenen dat ook. Het onderwijsveld zou daar bijvoorbeeld al op in kunnen spelen door het probleem veel breder te trekken. Radesky adviseert trouwens ook om geen tijdslimiet aan het smartphone-gebruik te geven, maar te begrenzen in hoe en waar een tiener de telefoon gebruiken mag. Misschien ook iets voor volwassenen?
Deze situatie vraagt om meer maatschappelijk realiteitsbesef.
Volwassenen zullen met volle overtuiging het goede voorbeeld moeten geven. Je kunt niet als leraar wèl appen tijdens een les, maar het de leerlingen verbieden. Of als ouder je telefoon er tijdens het eten bij houden als de kinderen het weg moeten leggen. Contextuele afspraken tussen volwassenen en tieners zullen hierin net zo goed ontwikkeld moet worden. Niet om flauw te doen, maar omdat er in deze fase geen duidelijke lijn is. Voor niemand. Er is nog geen volwassen-voorbeeldgedrag. Geen imprint van hoe ‘we’ dat doen als we ‘later groot zijn‘. Dus vraagt dat van de huidige volwassenen een stapje extra. Niet alleen van jongeren.
Stap uit het Omstanderseffect en word deelnemer
Tijdens het schrijven van dit artikel popte regelmatig het omstanders-effect bij me op. Het omstanders-effect (oorspr. bystander-effect) is een term die in de jaren zestig ontwikkeld is door sociaal psychologen Latane en Darley (na een moord waarbij 38 mensen niets deden). Het staat eenvoudig gezegd symbool voor betrokkenen die niet handelen. Dit kan meerdere redenen hebben: Er kan ‘verwarring van verantwoordelijkheid‘ spelen als er veel betrokkenen zijn. Je vraagt je dan af of jij perse degene moet zijn die helpt. En dus doe je (te lang) niets. Maar het kan ook zo zijn dat je zo met jezelf bezig bent, dat je niet eens gewaar bent dat er een schadelijke situatie aan de gang is. Of, je bent bang voor je eigen plek, verlies of belangen.
De parallel die ik zie in relatie tot het smartphone-gebruik is dat ik het niet als een school-probleem zie. Maar dat de hele samenleving hierop aanspreekbaar is. Dit is echter nog niet in ons collectieve brein terecht gekomen: Er zijn geen Sire filmpjes in de maak. En ook Postbus 51 is nog niet in de pen geklommen. Miljoenen mensen, met of zonder tieners op school, lopen om dit probleem heen. Terwijl we het dagelijks waar-nemen op straat, in de supermarkt of bij de bushalte.
Toen ik in 2012 het project KeepitCleanDay initieerde (een bottom-up burgerinitiatief om in één dag zwerfafval in een dag op te ruimen) sprak ik met een paar duizend mensen over duurzaamheid en klimaat. Maar het was 2012 en nog lang niet hip om met duurzaamheid bezig te zijn. Dus verschoof ik de premisse regelmatig naar economische winst (‘het bespaart ons €250mln als we zwerfafval op de juiste plek weggooien‘) en bracht ik het met een ludieke twist (‘Nederlanders gaan echt niet op zaterdag de bosjes in om op te ruimen, maar willen op vrijdag in de baas zijn tijd heus wel even het bedrijventerrein opruimen‘). Dit werkte.
Soms maakte mijn gedrag een selectieve groep ‘natuuractivisten’ boos. Ik was voor hen bijv. niet moralistisch genoeg. Al was het project express super concreet en praktisch, sommige mensen waren over alles boos. Als ik ze uitnodigde om mee te doen, wilden ze dat niet. Want dan deed ik het nog steeds niet op hun manier.
Er viel me gedragskundig op dat eigenaarschap en het omstanders-effect samen op een angstvallig dun lijntje balanceren. Ze zijn selectief uit te wisselen met elkaar. En lenen zich voor vervelende manipulatie. Datzelfde proces zie ik nu met de smartphone en onze jongeren opnieuw gebeuren.
Je kunt namelijk moeiteloos tegen de smartphone op school zijn. Dat is een erg populair standpunt. Maar stel, ik vraag je dat te beargumenteren. Hoe ver kom je dan? En kun je me ook uitleggen hoe je eigen smartphone-gedrag eruit ziet. Geef je zelf het goede voorbeeld? Overheid, onderwijs en ouders wijzen nog te vaak naar elkaar. Dit zorgt in de maatschappelijke breedte voor het omstanderseffect, waarbij mensen zich geen actieve betrokkene voelen.
.

.
Maak iemand eigenaar en de wereld verandert!
Een shoutout naar de overheid, die eind 2023 een stap zette in een krachtige richting. Ik was hier in beginsel enorm kritisch over (en dat ben ik deels nog steeds). Omdat het verbieden van een smartphone in ons Hollandse onderwijs fundament helemaal niet kan. De vrijheid waarmee scholen hun onderwijsvorm mogen inrichten ligt in Nederland diep verankerd in de Grondwet (Art. 23).
Ik vind dat je hier transparant over moet zijn. Ten eerste, omdat mensen zich serieuzer genomen voelen als je eerlijk en transparant tegen ze bent. Ten tweede, omdat mensen ook zelf kunnen nadenken, en er uiteindelijk zelf ook wel achterkomen en dan ben je het vertrouwen kwijt. En ten derde, omdat mensen het altijd voelen (op die enkeling na) dat er ‘iets’ niet klopt. Het ministerie had dit best openlijk kunnen delen. In een bericht zoals ‘Hoi, we vinden het ontzettend lastig om een hier een standpunt over in te nemen want we waarderen juist zo de expertise in de scholen. Maar omdat veel leraren, directies en bestuurders ons om hulp vragen, delen we vandaag toch een stevig advies. Wij stellen voor dat scholen vanaf 1 januari de smartphone uit hun klaslokalen weren. Je hoeft je hier niet aan te houden in verband met de Grondwet. We zullen er alles aan doen om in de komende jaren dit weerbarstige proces te helpen monitoren, steunen en onderzoeken. Voor vragen of suggesties kunt u ons bereiken.” Zoiets. Je bent eerlijk, pakt je positie en reikt ook nog de hand uit.
Maar zoals we weten heeft OCW dit niet gedaan. Daarom is het nu aan het hele veld – maatschappij, onderwijs en opvoeders. Laat dit verhaal dan een betoog zijn voor de ondertussentijd. De smartphone verbieden en vervolgens stoppen met denken is niet het antwoord dat we nodig hebben.
In het NRC las ik een prachtige reportage over het social media gedrag van leerlingen op een school in Rotterdam. De school is gespecialiseerd in technologie en leert de leerlingen programmeren en apps te bouwen. Van een smartphone verbod is geen sprake. Maar aan lessen bewustzijnsvorming lijkt het nog wel te ontbreken: “[De docent] beheert een WhatsApp-groep voor haar klas, maar schakelde de reactie-functie uit. „Anders kreeg ik ’s avonds een stortvloed aan memes binnen. Sommige snap ik, andere totaal niet. En de leerlingen gaan helemaal stuk – of ze zijn opeens superbeledigd en ik heb geen idee waarom. Je mist iets.” (citaat NRC) Je kunt je hier druk om maken, boos worden, of je afvragen wat je er van kunt leren. Dat we allemaal nog zoekende zijn mag evident zijn. Zolang we maar eigenaar zijn van deze mondiale puzzel.
Het zal nog jaren duren voordat we als mensheid een balans gevonden hebben tussen wel-en-niet en aan-of-uit. Het vraagt veel, maar onmogelijk is het absoluut niet. Het is ons bij de auto, het vliegtuig, de televisie, de printer en de film van Doris Day ook gelukt. Dan zal het ons hierin ook wel lukken. Maar nog niet vandaag.
En de WhatsApp less in mijn 2e klas VMBO? Dat werd een leerervaring waar we de rest van het jaar iets aan hadden. Niemand zat tijdens mijn les nog op whatsapp. Hun voorstel. Niet eens dat van mij.
.
______
Wil je iets citeren uit dit artikel? Dat mag natuurlijk! Wel fijn en netjes als je mij als bron even noemt. Dankje!
