Jawel. Dat mag wel.
Vanaf komend kalenderjaar – en doorgevoerd vanaf het school 2024/2025 – zijn smartphones voor niet-educatief gebruik in het klaslokaal niet meer welkom. Dit houdt concreet in dat alles dat niets met onderwijskundige inhoud te maken heeft, buiten de les gehouden wordt.
Kortom. Er verandert dus niks. Behalve dat docenten vanuit de overheid ondersteuning krijgen om scherper grenzen te trekken op het mobiel-gebruik. En dit is goed, liefdevol en zeer noodzakelijk in deze tijd.
Wat speelt er met de smartphone in de klas?
Sinds de smartphone mainstream werd, is ook het gebruik onder jongeren en kinderen toegenomen. Kopieergedrag is van alle tijden. Uiteraard ontstaan door ouders die kinderen toegang boden en een smartphone gaven. Maar daarnaast speelt ook de invloed van sociaal-culturele druk: Wie immers de deur van zijn huis uitwandelt komt ongevraagd in een sociale fuik terecht dat flinke indruk maakt op je belevingswereld en wensenlijstje. De smartphone stond al vrij snel op het netvlies van elke tiener. Ga dit maar eens herstellen…
Ook in leslokalen werkt de invloed van de smartphone uiteraard door. Leven, leren en werken is één pot nat (zeker in een tienerleven). Kortetermijnbevrediging wint het van langetermijngeluk. Wat let je dan om je telefoontje in te zetten als digitale versie van de tam-tam.
Zelf ben ik in 2018 gestopt met lesgeven in het VO, dus de perikelen van het post-corona tijdperk ken ik enkel uit tweede hand. Ik geef nu nog wel gastcolleges op het MBO en HBO, waar de dynamiek anders is. En hoor van vrienden en oud-collega’s dat het dweilen met de kraan open is. Wil je interveniëren op het gebied van digitale middelen in een klas? Dan moet je flink investeren in je pedagogische bedding. Dat lukt lang niet iedereen. En zeker niet als je gefocust bent op 50 minuten vakinhoud terwijl 25 tieners hun persoonlijk leven nèt iets te belangrijk vinden…
Handelingsverlegen
Veel leraren zijn daardoor handelingsverlegen met betrekking tot kansen en mogelijkheden die een smartphone óók kan bieden. Een smartphone is een mini-computer, maar alleen als je hem vanaf de eerste seconde die plek geeft in je les! Als je er strakke kaders en heldere lijnen omheen bouwt. Als je vanuit de relatie met je leerlingen ruimte, context en grote verantwoordelijkheid biedt – en daarbij zelf de complete situatie in de gaten houdt: voorstructurerend en duidend. Vooral dat laatste heb ik ervaren als belangrijkste gedragskeuze: Het duiden van waarom ik als leraar bepaalde beslissingen voor ze maak. Waar mijn keuzes vandaan komen en wat zíj er aan hebben dat ik dat kies. Mijn keuzes zijn níet onderhandelbaar, maar wel uitlegbaar. En vooral die laatste krijg ik na lezingen vaak terug als groots inzicht.
Mijn keuzes zijn níet onderhandelbaar, maar wel uitlegbaar.
Handelingsverlegenheid is iets om respectvol mee om te gaan. Niet om direct over in de contramine te schieten, wat we op het moment in de samenleving vaak terugzien. Het reactieve element in het onderwijsveld vraagt van je dat je altijd moet blijven leren en steeds een stap ‘voor’ de maatschappij moet uitlopen. Tegelijkertijd ben je in volle interactie met die maatschappij en moet je direct handelen. En dan is er ook nog de bureaucratische rompslomp. Dit vraagt veel. En je kunt niet alles tegelijk. Dus maak je keuzes over wat je eerst doet, en het kan best zijn dat digitale middelen daarbij buiten de boot vielen.
Handelingsverlegenheid verdient eerst erkenning en ontspanning. En exact dát is wat deze wettelijke regel vanuit de overheid nu aan de leraren geeft. Vanuit mijn perspectief is dat op dit moment het allerbelangrijkste aan deze overheidsinterventie.
Wat zegt de nieuwe wetgeving dan?
De nieuwe wetgeving stelt dat niet-educatief gebruik van smartphones niet meer toegestaan is in het klaslokaal. Mijn inziens was dit altijd al het geval, maar deze bedding helpt het hele veld. Daarnaast komt er een ‘nee, tenzij’ regel. Deze regel borgt onze Grondwet Art. 23.
Dit Artikel 23 geeft vrijheid aan de vorm waarin we onderwijs gieten. Het landsbreed curriculum (dat een ondergrens aangeeft over wat er geleerd moet worden aan de leerlingen) legt vast wat leerlingen moeten leren. En Art. 23 zorgt er vervolgens voor dat iedereen het ‘hoe dan’ op verschillende manieren mag invullen.
Persoonlijk vind ik dit het mooiste beginsel in onze Nederlandse onderwijsveld. Het is uniek dat we weinig onderscheid kennen tussen privaat en publiek onderwijs, met dank aan deze wet. Op het moment dat dit Artikel zou verdwijnen betekent dat concreet dat alle onderwijsvisies die niet door de overheid opgelegd zijn, geen enkele financiering meer krijgen. Alleen kinderen van rijke ouders kunnen dan nog naar bijv. een Montessori-, Dalton-, Jenaplan-, Freinet-, of Vrije school. Ook alle religies worden dan uitgesloten van onderwijsfinanciering, waardoor sociaal-culturele ontwikkeling los komt te staan van de school.
Deze nieuwe wetgeving op het gebied van de smartphone geeft scholen de ruimte om hun kennis en expertise over onderwijs te behouden, door er nu een ‘nee, tenzij’ component aan toe te voegen.

Op deze manier hebben scholen ruimte om in gesprek te gaan met elkaar over deze situatie. Ze kunnen vanuit bewustwording training over digitale vaardigheden gaan volgen, en van elkaars bevindingen leren. Onderlinge netwerkverbinding is daarbij een essentieel belang. Gelukkig zie ik veel lerarenteams en scholenstichtingen dit allang oppakken en uitwisselen. Er gebeurt onnoemelijk veel op dit gebied!
Toekomstgericht Onderwijs
Digitalisering is niet meer uit onze samenleving weg te denken. En deze nieuwe regel binnen het VO impliceert dat volgens mij ook niet. Het nodigt eerder uit tot de juiste zorgvuldigheid die onze jongeren verdienen. Het vraagt een enorm pro-actieve houding van de experts in de klaslokalen, waarbij een leven lang leren toch de ruimte moet krijgen die het verdient. Dit zien we overigens terug in het hele publiek domein.
Digitale Alchemie: De mens gaat voor het middel
Een mooi voorbeeld van een manier waarop je op integratieve wijze digitalisering een plek kan geven in je onderwijs ervaarde ik in 2016. Ik gaf toen een paar uur per week Nederlands aan VMBO’ers. Pokemon Go was helemaal in, en ik speelde het zelf ook. Ik kende het net en deelde dit met een eerstejaars groep. ‘Vandaag gaan jullie mij les geven’ begon ik. Hun nieuwsgierigheid was gewekt. Het werd een enerverende les.
‘Stel je eens voor dat je Pokemon Go kunt spelen terwijl je ook een les biologie volgt. Kan dat? Welke leermomenten en vakinhoud zouden we toevoegen?’ Het was 2016 en ik had absoluut nog geen idee over gamification. Het leek de klas een briljant plan als je alle bomen en planten in de wijk in het digitale spel stopt zónder hun naam erbij te zetten. Want, wanneer je het spel op je smartphone speelt sta je namelijk fysiek naast de boom of de struik. Die kun je dan bekijken en desnoods even aanraken. Weet je de naam van de boom? Dan vul je dat in, zodat je punten of beloningen kunt winnen als je het goed hebt. Biologie en Pokemon Go ineen. Voilà! De route naar een les biologie.
Jongeren kun je ontzettend goed medeverantwoordelijk maken voor hun eigen toekomst. En de manier waarop ze het meest optimaal tot ontwikkeling komen. Mits je ze serieus neemt in hun ideeën èn er jouw kennis en expertise aan toevoegt. Dan horen en erkennen ze ook je grenzen en het feit dat jij de routewijzer bent. Een win-win construct.
Werken met digitale middelen pre- en post de pandemie
Mijn visie op digitalisering en ons digitaal bewustzijn is echter tijdens de corona-crisis wel iets veranderd. Ik werkte als leraar erg veel met de educatieve mogelijkheden van de Smartphone, en heb daar nooit ordeproblemen in ervaren. De mens gaat voor het middel, en dat wist elke leerling die de drempel naar óns lokaal overstapte ook. Een school is – net zoals een klaslokaal – een eco-systeem waar alle elementen een significante rol spelen. Elke leerling telt. Geen enkele uitgezonderd. Maar om het geheel te dienen, moet je soms collectief grotere beslissingen nemen. Je onderwijsplan op het gebied van digitaal werken meenemen. En ik hoopte dat dat tijdens en na de lockdowns zou gebeuren.
Ik hoopte dat er tijdens de periode – waarin iedereen online-onderwijs kreeg – het collectieve besef zou landen dat we ons enerzijds moeten beseffen dat ‘de garantie dat kloktijd gelijk staat aan kwalitatief onderwijs‘ een gigantische weeffout ons denken is. En dat ‘de mens voor de middelen gaat, maar dat je middelen wel kunt gebruiken om de mens gelukkiger te maken’.
Dit besef viel niet. Dat hebben we gezien. Ik kwam van een hele kouwe kermis thuis. 😉 Hopelijk gaan we straks 2024 in met deze nieuwe wetgeving, en de juiste èn noodzakelijke gesprekken die opgang komen. Want… dat we er ein-de-lijk eens mee moeten leren omgaan is een feit.
.
.
Note. Er zit copyright op dit blog. 🙏