• +31 626715406
  • contact@annettedolle.nl

Uncategorized

Een hernieuwd sociaal stelsel kost geen extra geld!

De verzorgingsstaat. Wie is er niet groot mee geworden? Het is het meest politiek geladen woord dat zich in mijn kinderbrein nestelde. Ik vond het een mooi woord. Lief zelfs. Dat er krachtige hervormingen omheen speelden, had ik in de jaren tachtig niet door. Dat er grootse bezuinigingen waren, ook niet. Ik plakte ‘verzorging’ en ‘staat’ aan elkaar en veronderstelde dat ik in het juiste land geboren was. Wat een cadeau! Die naïviteit heb ik lang vol kunnen houden, en zelfs een beetje om kunnen zetten in daadkracht. Het voordeel van volwassenheid is dat je ervaring krijgt met leven. En da’s weer handig om tendensen door de tijd heen te kunnen zien verglijden. De Verzorgingsstaat bewoog in de 21ste eeuw naar een Participatiestaat. En daar gaat wat mij betreft iets flink mis op het moment…

Zijn we te lui?

Of we nou te lui, te dom, te moe, te boos of te afwachtend zijn – het doet er niet meer toe. Het waarom is hartstikke interessant voor bij een fles wijn in een goed cafe op een late avond, maar op klaarlichte dag zijn er praktische handelingen nodig. Pragmatische insteken die werken. Om de simpele reden dat van de dat de vraag uit het verleden geweest is. Een gevaren schip. Soms denk ik wel eens dat mensen die áltijd blijven praten gewoon bang zijn voor de realiteit. Zolang je praat, hoef je niks te doen. En weet je ook niet wat de uitkomst is.

Toen we in 2012 Nederland van zwerfafval gingen opruimen, probeerde ik Duitsland en België ook aan te zwengelen. Leek me leuk om CNN en National Geographic te betrekken en heel West-Europa mee te nemen (‘Shoot for the moon, even if you miss, you’ll land among the stars‘). We copy-pasten alle info van Nederland naar Vlaanderen, maar in België zat men met een taalkwestie, die sociaal-cultureel doorwerkte. Dit vertraagde als een gek. In Duitsland daarentegen keken ze met wijd gesperde ogen naar Nederland: Hoe haalden we het in ons hoofd om een project zónder projectplan èn budget het luchtruim in te schieten? Dat kon echt niet (geen grap). Het Duitse opstartteam wilde eerst alles zeker-weten voor ze het land attendeerden op het geweldige plan. U raadt het al… Daar is het dus nooit van gekomen. Want hun plan was nooit perfect.

Maar de fatale denkfout die ze maakten was het onderschatten van het oplossend vermogen en de creativiteit van 80 miljoen mensen in Duitsland. Door 80 miljoen breinen buiten te sluiten tot je ‘plan’ perfect is, negeer je ook 560 miljoen verbindingen die kansen en mogelijkheden genereren, waar je in een klein groepje nooit aan denkt! Om te ontdekken welke mogelijkheden in je idee besloten liggen, móet je beginnen en open staan voor wonderen. Ja, dit vraagt improvisatietalent en flexibiliteit. Maar hoe denkt u dat onze voorouders het deden? Met uitgehakte steentabletten achter een hert aanrennen op de hei? Schrijven deed men enkel om te reflecteren en verhalen over te dragen. Niet om subsidies mee aan te vragen…

We zeuren veel te vaak om geld

We zeuren veel te vaak om geld, waar we prima zelf ook even anders kunnen handelen. Maar, dan gaan er banen verloren! Klopt. Maar, dan moeten we ons hele operationele systeem ombouwen! Klopt ook. Maar, dan weten we niet meer hoe het precies moet! Klopt alweer. Maar, dan moeten we nieuwe dingen leren! Bingo. Maar, we werken met mensen en kunnen niet experimenten! Snap ik. Maar, dan moeten we nieuwe dingen leren! Helemaal waar!

We zeuren om geld, omdat we niet willen leren. Terwijl deze tijd bij uitsteek een lerend karakter heeft. Het is de ‘age of development‘. Als je ooit een nieuwe vaardigheid of kennis wilde opdoen, dat je meteen in de praktijk kan brengen, doe het dan nú. Het grote voordeel van chaos is dat er tussenruimte ontstaat. Gratis tussenruimte waarin plaats is voor experiment en ontwikkeling. ‘Vroeguh’ vroegen we om geld als we een nieuw systeem wilden bouwen. Alles was duur en mensen moesten betaald worden. Dat kwam omdat internet wel bestond, maar nog niet doorgedrongen was tot de gemiddelde mens. We wisten nog niet hoeveel sneller, makkelijker en goedkoper we dingen konden organiseren. Maar nu dat wel kan is er nog maar één ding dat ons tegen houdt: wijzelf.

Onze vreselijke zucht naar alles waar we maar geen verantwoordelijkheid voor willen nemen. Zodat we het af kunnen schuiven op Den Haag. Het is vloeken in de kerk, maar de grens die het ministerie van OCW neerlegde bij de geldvoorziening, juich ik van harte toe. Luidkeels hoera! En ik hoop van harte dat ze voet bij stuk houden. Het enige dat Den Haag anders moet doen is specifieker in de richting worden: De zuivere bedoeling sturen, bij gebrek aan beter in het land. Want, natuurlijk ben ik ook voor een forse salarisverhoging van alle leraren en onderwijs ondersteunend personeel. En dat de gelijke schaling tussen primair en voortgezet onderwijs er niets is, is meer dan absurd. Maar het antwoord ligt niet in Den Haag. Niet betreft het onderwijs. Niet voor de zorg, niet voor de politie of de welzijnsorganisaties…

Het antwoord is simpel en gratis!

In mijn beleving is dit al miljoenen keren gezegd en geschreven door talloze mensen. Maar tot het tipping point (kantelpunt) bereikt is moeten we daar kennelijk vrolijk en liefdevol mee doorgaan. ;) Het antwoord op het geldgezeur is uitermate simpel. Pas als wij (laten we klein beginnen en het bij ons 17 miljoenenlandje houden) snappen hóe we met zelfbehoud, onzuivere en onethische frauduleuze zaakjes kunnen ontmantelen, en we begrijpen dat tijd niet synoniem is aan geld, zal er iets resoluut draaien.

1 Met zelfbehoud onethisch gedoe ontmantelen. De vraag blijft overal terugkomen. Als ik doorvraag bij lezingen of sessies is het herhalende antwoord ‘Niemand durft zich uit te spreken. Ten eerste is dat al niet waar, want ik ken genoeg mensen die zich uitspreken. Ten tweede wordt er gelijktijdig mee gezegd ‘Niemand van ons heeft zin zijn eigen positie te verschuiven‘. Wat u weten moet over mensen die zich niet uitspreken, is dat het vaak een andere reden heeft dan wat ze voorspiegelen. Niet altijd, die situaties zijn er natuurlijk ook. Maar vaak. Bij angst is onze eerste neiging om naar de ander te kijken. Naar dat wat de ander bang maakt. Zéér terecht bij realistisch en serieus dreigend gevaar (!), maar aan u de schone taak om daar snel en efficiënt achter te komen. En vaak – niet altijd, maar wel vaak – is dat gevaar niet heel dreigend of realistisch. Blijft er dus over dat mensen zichzelf de vraag moeten stellen: Waarom draag ík niet bij aan een samenleving die is zoals ik hem wens? Klaar.

2 Tijd en geld zijn niet synoniem aan elkaar. Ik weet niet wie die rare kronkel in ons hoofd heeft gebracht (ja, ik weet het wel, maar het waarom doet er niet toe). We moeten er van af. We gaan (mij iets te traag) naar een nieuwe werkelijkheid waar kwaliteit en energie synoniem zijn aan geld. Met grote dank aan digitale wonderen, kunnen we dingen bouwen die ons enorm veel tijd besparen op allerlei vlakken (mits je bereidt bent de gebruiksaanwijzing van de applicaties te leren). Administratie kan met zeker vier uur per week omlaag, zodat er tijd over is voor andere dingen. Als je de digitale dienstverlening in de smiezen hebt, ben je zo klaar. Maar… omdat wij nog steeds tijd ruilen voor geld, en mensen geen ruimte nemen om nieuwe dingen te leren (want ze hebben het allemaal veel te druk met de oude stijl), draaien we in een vicieuze cirkel rondjes en komen geen stap vooruit. Oliedom.

Als ik iets kan maken in een uur, waar iemand anders vier uur over doet (wederom geen grap, het komt voor), waarom zou ik dan minder waarde verdienen dan degene die er langer over doet? Da’s een heel gek uitgangspunt. Een voorbeeld: Mijn voornaamste werk is om mensen dingen te leren. De vorm maakt me niet, zolang we maar ontwikkelen, dan ben ik blij (en dat was toch de essentie van ‘werk’? ;)). Organisaties vragen mij hoeveel ik kost per uur. Ze tellen de uren op en bedenken een tarief. Vorig jaar heb ik hier uitvoerig mee geëxperimenteerd. Ik gaf de organisatie de keuze om mee te gaan in het experiment of niet. We draaiden het om, ik gaf de sessie en álle betrokkenen bepaalden de waarde (hier zit het onderscheid met waardebepaling achteraf). Nou, dat ging dus helemaal mis. Hilarische ontdekking! Ondanks mijn jip-en-janneke infographic (de moeite van het bekijken waard), ondanks mijn verbale uitleg, ondanks een richttarief, ondanks begeleiding van de directeur, slaagden drie teams er niet in mij een representatief bedrag te geven. Ze kwamen uit op 20% van het bedrag dat gemiddeld in de markt uitgegeven wordt. Verklaring? Ze bleven hun context (loondienst) vergelijken met de mijne (ondernemer).

Je bent hier maar vier uur geweest’ opperde iemand. Het oude paradigma tijd is geld trad weer op. Tijd is geen geld. Tijd is energie. Het is het meest persoonsgebonden budget dat we kennen. Het meest rijke kapitaal – naast liefde – dat we hebben. Ons leven bestaat uit die energie. Die we praktisch omgezet hebben in seconden, minuten, uren, dagen, weken, maanden en jaren. Gewoon om het handig te maken, niet omdat het waar is. Het is een bedacht construct – de klok. Als we stoppen met wijzen naar de wijzers van die klok. En als we stoppen met standvastig vasthouden aan angst voor de ander. En we voegen daar een vleugje digitale wonderen aan toe, hoeven we echt niet meer naar Den Haag. Dan sturen we gewoon een mailtje naar het bestuur en spreken ons uit en hangen daar consequenties aan vast. Tot iedereen op de plek is waar hij zijn wil.

Feedback geven: Ga je ‘terugvoeden’ of iets ‘uitkotsen’?

2019. Ik keek er nog al naar uit, moet ik bekennen. Klaar met het oudejaar – in alle opzichten. Een periode waar allerlei thema’s zich op het scherpst van de snede leken te bevinden; klimatologisch, financiële stromen, machtsverhoudingen en wonderlijke bochten binnen het publiek domein. Het krioelt door elkaar en baant zich een weg naar hernieuwde structuur. Maar die structuur laat zich niet leiden – tot grote frustratie van hele volksstammen. En op z’n tijd frustreerde dat laatste mij dan weer. Veel mensen weten schijnbaar ‘heel’ goed wat de ander doen en laten moet, maar zien dat voor zichzelf toch net een tikkeltje anders. Alsof ze als toeschouwers hoofdschuddend naar een film kijken, zonder door te hebben dat ze er zelf ook een rol in spelen…

Af en toe liep het de spuigaten uit. Zo kwam ik mensen tegen die zich overtuigd manager van een horizontale organisatie noemen, maar behoorlijk met de scepter zwaaien (knap!), mensen die een open relatie propageren, maar zelf eisen stellen (huh?), mensen die open source werken bepleiten, maar toch het eigendomsrecht naar zich toetrekken (schijnvertoning), mensen die liegen dat ze je kennen terwijl ze je nooit hebben ontmoet (jeuk), en zelfs mensen die in lezingen anekdotes en cv’s verzinnen die nooit hebben plaats gevonden (eng!). Het was een enorme les geduld oefenen voor iemand als ik – die al op het dak zit bij een eerste zweem van incongruentie. En precies daar had ik zelf wat demonen te verslaan. Als je oprechtheid beoogt voor de wereld, zul je je in eerste instantie af moeten vragen of je datzelfde te bieden hebt. Aandeelloosheid bestaat niet.

Objectieve spiegels

Het zal ergens halverwege deze herfst geweest zijn toen ik een team begeleide op het gebied van sociale ontwikkeling. Bij het koffiezetapparaat fluisterde iemand van de organisatie zacht tegen me; ‘Mijn collega’s denken dat ze feedback geven, maar feedback werkt heel anders...’ Tot op dat moment had ze stil – vooral observerend – in de sessie gezeten. ‘Wil je dat ik het meeneem?‘ vroeg ik. Ze knikte.

Ik besloot een oefening toe te voegen die ik zelf ooit op de toneelschool had meegekregen: Uiterst simpel, maar met grote impact. In tweetallen zit je tegenover elkaar. Om beurten vertel je een korte anekdote. Waarbij de ander moet observeren, om later terug te geven wat hij gezien heeft, maar… zónder interpretatie. Er mag niets ingevuld worden. De feedback moet objectief blijven. Vooral bij mimiek is dit een lastig dingetje. We zijn zo gewend om mimiek onmiddellijk te vertalen naar gevoelens, beïnvloed door onze sociaal-culturele achtergrond. Omhoog krullende mondhoeken interpreteren we als lachen, of sterker nog als een ‘geluksgevoel’. Opgetrokken wenkbrauwen worden al gauw geïnterpreteerd als verbazing of verontwaardiging – afhankelijk van de intonatie (paralinguale signalen) van de stem. Je kunt je er uren mee vermaken en er kilometers naast zitten, al doe je oprecht je best.

Dit interpretatiegedrag heeft uiteraard een functie! Stel je voor hoevele tijd het je zou kosten als je de Godganse dag uitleg moet vragen over knipperende ogen, een opgetrokken schouder of wiebelende voet – absurd! Wat vermoeiend zou dat zijn! Maar… dat neemt niet weg dat deze oefening keer op een keer een verdomd goed bewustzijnsmomentje blijkt te zijn. Het rukt je los van alle interpretaties die onbewust dagelijks met je meereizen; in het openbaar vervoer, supermarkt, schoolplein en contacten op ons werk. De oefening confronteert deelnemers op een rauwe manier met de ‘baseline’ en laat voelen hoe het voor een drie-jarige zijn moet, die nog niet getraind is in al die complexe nuances en interpretaties. Zo ook bij dit team, die middag.

Aandeelloosheid

Als aandeelloosheid niet bestaat, en we allemaal onderdeel zijn van een veld, vol interpretaties – wat gebeurt er dan met al die feedback die zich plaatsvindt in ons hoofd? En waarom houden steeds meer mensen hun mond, in plaats van het aan te gaan en te oefenen met dit ingewikkelde spel? Wellicht omdat ze kiezen voor zelfbehoud, waar van alles voor te zeggen valt. Levensgeluk begint immers altijd in je eigen achtertuin. En als het achter de heg een ellende is, dan kijk je wel drie keer uit om het tuinhekje door te lopen…

Wat er (wat mij betreft) veel te vaak misgaat in organisaties en een ‘vervuilde toestand’ van aannames, meningen, oordelen en projecties oplevert, raakt nauw aan de ‘instant gratification’ en het ‘maakbaarheidsdenken‘ dat zich vooral vormt bij relatief jonge mensen. Ik zal dit toelichten, want het is geen voor de hand liggende sprong: Door een ‘maakbaarheidsverlangen’, waarin alles zich vormt zoals je dat wenst, ontstaat er een mentaliteit van pro-actief en creërend gedrag. ‘Alles is mogelijk!’ is de gedachte, wat een fantastisch uitgangspunt is. Het is (denk ik) noodzaak je deze mentaliteit eigen te maken. Het helpt je om stappen te zetten en je wereld te vergroten. Maar… al groei je op met een, bij wijze van spreken, verruimd bewustzijn (zoals het geluk dat ikzelf ook had door de opleidingen die ik volgde) en een hoge sensitiviteit, dan zegt dit ábsoluut nog niets over de toepasbaarheid in het dagelijks leven. Níets. Iets kunnen bedenken, en er een maakbaarheidsmentaliteit aan vastplakken, waarbij je ‘instant gratification’ verwacht, is niet synoniem aan het omzetten in handelingsperspectieven in de buitenwereld… En daar gaan veel mensen nat… Ze vergeten namelijk dat ze andere mensen tegenkomen met een ander wereldbeeld en andere waarden en normen. BAM! Botsing.

Hersenen

De overvloed van keuzes en prikkels in deze snel veranderende tijd, plus de gretigheid van jong volwassenen, creëert een directe illusie en intens spanningsveld dat als voedingsbodem dient voor burn-out en overprikkeldheid… Een combinatie die twee elementen rechtlijnig tegenover elkaar zet (zeker als je je beseft dat de hersenen pas volgroeid zijn rond het 30ste levensjaar!). In mijn bescheiden mening (en ik ben niet de enige die dit zo ziet) zijn het daarom helemaal niet de ‘hoge’ eisen die de maatschappij stelt, maar een foutief verwachtingsmanagement van de jonge mens die alles nú wil. Die denkt dat het leven maakbaar is. Die zichzelf capabel acht en volledig ‘vergeet’ dat je het leven moet ‘leven’ voor je het beheerst… En leven vraagt tijd. Van ‘instant gratificatie’ komen ze in ‘instant illusie’ terecht. Als je de essentiële ‘ontwikkeltijd’ niet neemt, zie je niks anders dan je eigen aannames, interpretaties en mening… Tja. En dan is de stap dat alles aan de ander (of de samenleving) ligt natuurlijk niet zo groot.

Wat is feedback? Een observatie, advies, mening of reflectie?

Hoe kun je veilig door je tuinhek de wereld inlopen en er aan bijdragen, zonder dat je in de vecht- of vluchtmodus schiet? Tijdens de vele gesprekken die ik de afgelopen maanden voerde over het thema ‘feedback’ vielen de woorden reflectie en advies natuurlijk ook vaak. Veel mensen ervaren feedback als een advies. Gevraagd of ongevraagd. Het lastige bij adviseren is dat je er een context-tekening voor nodig hebt – dit is geen bestaand woord, maar ik gebruik het zelf vaak als ik in adviesgesprekken zit. Een context-tekening behoedt je voor onverwachte wendingen, haalt alle aannames weg en zorgt ervoor dat je advies hout snijdt ;). Een dergelijke tekening ontstaat door drie ingrediënten: 1. bestaande info. 2. vragen 3. een zuivere observatie.

De grote valkuil ligt bij 1: Vaak (heel vaak) bouwen we onze adviezen (verkapte feedback) op informatie die veranderd is (er vanuit gaande dat mensen veranderen ;)). Doordat we bestaande info te serieus nemen, stellen we geen vragen meer. Lang leve aannames die de wereld in geslingerd worden! Om goed advies te kunnen geven, zijn vragen áltijd nodig.

Een voorbeeld: Dit technisch gebeuren zag je heel mooi terug in het gesprek dat Kees van der Staaij bij Jinek voerde (als je het al een gesprek kon noemen – maar da’s een ander onderwerp). Dhr. vd Staaij heeft in het hele gesprek geen enkel moment de werkelijke context erkend. Hij heeft geen enkele vraag terug gesteld. Hij heeft nergens erkenning gegeven voor de reactie (welke dan ook) van de omgeving. Hij bleef zich beroepen op zijn eigen achtertuin, die hij persé wil delen met de wereld. En dat niemand zijn achtertuin snapt. De vraag die niemand hem stelde, was ‘Begrijpt u, door de reacties, dat het overgrote deel van Nederland, uw mening respecteert, maar er niets mee te maken wil hebben op overheidsniveau?’ Bij ‘Nee’ had hij gewoon de context-tekening even aangereikt moeten krijgen, en bij ‘Ja’ was het gesprek klaar geweest. Iemand die blijft draaien, kun je het beste gesloten vragen stellen. Dan beperk je hun ruimte. [note: Eva Jinek heeft het meerdere malen geprobeerd, maar mevr. van Engelshoven was te twijfelachtig en te weinig resoluut].

Vrij vertaald betekent feedback-geven het teruggeven van dat wat waargenomen is. Het is een waarneming – en dus een observatie – die je zo zuiver mogelijk met de ander deelt. Van daaruit zijn er twee sporen denkbaar: Enerzijds de zelfreflectie van de ontvanger, anderzijds het spoor van advies, dat vaak vermengd wordt met een mening. Idealiter worden die twee verbonden en ontstaat er zo een optimale leercurve en winstmarge.

Als je gedrag begrijpt, wil het nog niet zeggen dat je het er ook mee eens ben: Ook dit wordt vaak verward. Hoe kun je nou iets begrijpen, maar het er niet mee eens zijn? Door jezelf los te rukken, een zuivere observatie in te zetten, en zo een objectieve spiegel te bieden.

Daar gaan we dan: Ga je terugvoeden of iets uitkotsen

Terwijl de wereld zich boog over blokkeerfriezen, zomer- of wintertijd, dividendbelasting, de brexit, het klimaat, fakenews, gele hesjes en nog veel meer, ging dit strijdende proces ook op micro-niveau door; in de organisaties en bij bedrijven. Hoewel feedback een prachtige objectieve spiegel kan zijn, waarbinnen mensen inzichten en aha-momenten kunnen opdoen, verandert het met regelmaat in een symbolisch kotsbakje waarmee iemand even zijn gram denkt te kunnen halen. Oeps. Vol meningen en oordelen. Niet heel gek wellicht, want in het onderwijs en binnen organisaties wordt weinig aandacht besteed aan de gesprekstechnieken die ik hierboven uitgebreid besproken heb. We hebben collectief nog niet helemaal door dat vragen-stellen op verschillende niveaus plaatsvindt. In de sociale hoek slaan ze regelmatig door in projecties en tegenoverdracht, terwijl justitiële organisaties te snel aannames doen en de context overslaan. De balans is kennelijk lastig. We lopen daardoor over van meningen.

Niets mis met een mening trouwens! Ik heb er zelf een heleboel. Zolang je je bewust bent van het feit dat het een mening is, en níet de waarheid, is er niks aan de hand. En dat laatste wordt helaas (in organisaties en teams) tegenwoordig maar al te vaak vergeten. We moeten álles kunnen zeggen, dus wordt terug-voeden regelmatig uit-kotsen…

Teveel werkenden hebben afgelopen jaar teksten over zich heen laten komen, waar de honden geen brood van lusten. ‘Maar we hebben afgesproken dat we de ander accepteren zoals die is, dus moeten we ruimte geven.‘ vertelde een teamleider me onlangs. Pardon!? Dus word je grenzeloos? Zomaar opeens? Fantastisch dat er ruimte is. Absoluut. Maar dat betekent wel dat je de juiste attitude meeneemt. En het betekent niet dat je met stampvoeten meer waard bent, dan degene die zwijgt en niet ‘zeurt’. Stampvoetende mensen beginnen de overmacht te krijgen op die manier… Het ‘maakbaarheidsdenken’ (als-ik-geluid-maak-krijg-ik-gelijk) steekt de kop weer op en we zijn het cirkeltje rond.

Vragen vertragen; praktijkervaring

Om nou aan elke kribbige buschauffeur of zwijgende kassamedewerker te gaan vragen hoe de vlag erbij hangt, zet ook geen zoden aan de dijk… Je kunt moeilijk al je interpretaties over boord gooien en álles vijf keer checken. Afgelopen jaar besloot ik om daar eens wat mee te experimenteren.

Ik bevroeg alles dat ik niet plaatsen kon èn voor mij van waarde was (lees: zwijgende kassamedewerkers en scheldende automobilisten vielen daar niet onder). Nou, dat hebben we geweten. Het idee was voortgekomen uit het feit dat ik merkte dat er meer mensen óver me, dan met me spraken. Ronduit enorm irritant – zachtere woorden heb ik er niet voor. Mijn moeder zei vroeger altijd ‘Ze kunnen beter over je praten, dan van je eten’, maar dat is leuk bij kinderen – van volwassenen verwacht ik toch iets anders. Omdat ik dit al 20 jaar niet meer meegemaakt had, moest ik even schakelen. Mijn natuurlijke reactie was dat ik uit respect zweeg (je weet nooit of iemand tijd nodig heeft), afstand nam, om mensen heen liep en in de meeste gevallen uiteindelijk dicht klapte. Inwendig bleef ik met allerlei vragen zitten – de interpretaties stapelden zich op en er bleef maar één strategie over: De baseline hervinden.

Mijn volwassen-versie wil het liefst altijd even kort vragen stellen, maar de context moet je ook in ogenschouw meenemen. Kijk, als je in je eentje door de wereld banjert, kun je álles. No problemo! De enige die de consequenties dan draagt, ben je zelf. Maar zodra je je in een situatie bevindt waar ook anderen betrokken zijn, moet je een beetje rekening houden met het geheel. Da’s lief. Maar langzamerhand was ik van zelf-vertrouwend en ondernemend mens veranderd in een dichtgeklapte parkeerplaats die stond te wachten, tot ze weer gas mocht geven – Dat was een partijtje onprettig zeg! Remedie: De baseline herpakken en zodra ik merkte dat er oordelen rond zongen, sprak ik me uit en stelde vragen. Simpel!

De eerste maanden was dit vooral voor mezelf confronterend. Door terug te gaan naar de elementaire basis van interactie, negeerde ik tijdelijk mijn intuïtie. Alles dat ik voorvoelde, moest maar even wachten. ‘Ik had bewijzen nodig’. En het lullige van intuïtie is dat het – vooral als het een tijdje genegeerd is – vaak doordrenkt is met egopropjes die gezien willen worden. Omdat ik vond dat íedereen om me heen nieuwe kansen moest krijgen (terwijl ik vragen stelde), moest mijn intuïtie maar even wijken. En zo geschiede. Vanaf de zomer deden alle inzichten het weer en viel alles door de mand dat al van verre waarneembaar was geweest (maar ik genegeerd had).

Het fascinerende van dit proces verschoof toen natuurlijk vanzelf naar mijn omgeving. Het stellen van heel concrete vragen (‘hoe weet je dit?’, ‘waar merk je dit aan?’, ‘welke voorbeelden ken je?’, ‘wanneer is het wel goed gegaan?’, ‘wat heb je zelf kunnen doen?’ etc.) en het bieden van een objectieve spiegel creëerde verwondering. Ik heb zelfs in drie gesprekken moeten zeggen: ‘Bel me de volgende keer als je iets niet snapt, in plaats van over me te praten tegen anderen.’ Of ze het doen is een tweede natuurlijk, maar (en hier ligt de crux): Daar ga ik niet over. Hoera! Maar om de baseline van de ander te leren kennen, moet je vragen stellen om aannames te voorkomen.

BINGO! Want wie neemt er nog tijd voor de korte-afslag naar een vragenrondje? Absoluut geen urenlange dialoogsessie, maar simpel, oprecht en kleur bekennend. Zodat je daarna snel weer samen verder kunt. Elkaar ‘voedend’. En dat: Dat vraagt om heel andere eigenschappen dan protocollen, kaders en beleidsplannen op papier… Ik gun ons voor het nieuwe jaar veel wederzijdse voeding, objectieve spiegels en korte vragen. ;)

Het Beleid ligt op Straat.

Als ‘dividendbelasting’ niet het woord van 2018 wordt, zie ik goede kansen voor het woord ‘innovatie’ om de titel weg te kapen. Innovatie. Innovatie. Innovatie. Innovatie. Eigenlijk gewoon ‘vernieuwen’. Maar waarom we dat woord niet meer gebruiken, weet ik niet. Zouden we er angstig voor zijn? Voor vernieuwen. Is het te confronterend, omdat het suggereert dat het heden niet meer dienst doet? Of dat vandaag niet goed genoeg is. ‘Innoveren betekent vooruitgang‘. Maar da’s heel gek. Want, soms is stilstand juist vooruitgang. En zou dus juist een innovatie impliceren.

Mag je liegen op een podium? Een pleidooi voor ‘eerlijke’ sprekers.

De titel van dit artikel had ook ‘Je mag niet liegen op een podium‘ kunnen zijn. Of ‘Waarom sprekers liegen op een podium?‘ Of ‘Waarom we leugens willen geloven’. Maar ik weet het antwoord niet. Zelfs na het schrijven niet. Dus blijft het bij de vraag. ‘Mag je liegen op een podium?’

U bent vast niet bekend met het Posthuistheater in Heerenveen. Of toch? Het Posthuistheater is het wonderland uit mijn jeugd. Met rood pluche stoelen en rood velours op de wanden. Ietwat pathetisch. Ik weet het. Maar het loont de moeite u ervan op de hoogte te brengen. Het is de basis van mijn gezichtspunt. Ik had namelijk al jong besloten dat het theater de meest eerlijke plek op aarde was. Alles dat in het theater gebeurt is waar. Ga maar na: Elke leugen is een afspraak. En daardoor is alles echt. Geen rocket science. Een paar keer per jaar zat ik als kind op de meest eerlijke plek van de wereld. Daar waar alle gedragscodes glashelder waren.

Waarom zintuigen belangrijker zijn dan organisatiemodellen.

Het ‘Nieuwe’ Werken. Flexwerken. Zelfsturende organisaties. Zelfredzame organisaties. Lokatie-onafhankelijk werken. Tele-werken. Agile werken. Projectmatig werken. Lean werken. Bottom Up Werken.

De afgelopen vijftien jaar zagen we, gestuurd door technologische ontwikkelingen, ze allemaal voorbij komen; werkstijlen die de mens gelukkig moesten maken en tegelijk hoog economische rendement voor de organisatie moest opleveren. We willen altijd beter en meer. Want, akkoord gaan met iets dat tijdelijk minder goed uitpakt is niet de bedoeling.

Oplossingen liggen voor het oprapen bij de Lerarentekort Hackathon

In de regel heb je twee soorten mensen: Mensen die geloven dat er voor alles een antwoord te vinden is en mensen die denken dat niets lukt. Een luchtig gesprekje over de Hollandse weersverwachtingen kan al voldoende zijn om een eerste onderscheid te vinden. En als het nou bij deze twee categorieën bleef, was het leven heerlijk overzichtelijk!

Maar, na dit eerste onderscheid volgt een tweede. En zelfs een derde. Want, zelfs al ben je oplossingsgericht en geloof je in antwoorden, dan zegt dat nog niets over de wijze waarop je die oplossingen voor je ziet. Ga je voor behoud en een verbetering van de structuur of voor vernieuwende progressie? En dan nog: Ben je enkel een theoreticus of durf je je ideeën ook te leven? 

Het Dreigende Faillissement van het Basisonderwijs

Terwijl de wereld zich doorlopend vernieuwt door innovatieve technologieën, verse inzichten en het besef dat we een leven lang leren, probeert het basisonderwijs angstvallig vast te houden aan een systeem dat duidelijke symptomen van versletenheid vertoont. Een systeem dat ten onder dreigt te gaan aan struisvogelpolitiek en doofpotbeleid. Maar niet door de overheid; die kijkt met lede ogen toe en doet haar best weer wat water naar de zee te dragen. Het doofpotbeleid bevindt zich voornamelijk binnen de onderwijsorganisaties zelf. Als het basisonderwijs niet in staat is om komend schooljaar de schellen van de ogen te laten vallen en systemische veranderingen aan te gaan, zal een dreigend faillissement niet te voorkomen zijn.

Waarom het verschil tussen ‘werk’ en ‘privé’ een illusie is

Longread: 25 min. 

 

Sinds ik een eenmanszaak heb, ben ik opeens miljoenen potentiële tijdelijke-collegae rijker, is de wereld mijn werkplek en zijn werktijden verleden tijd. Dit heeft op veel gebieden levensgeluk gebracht – anders deed ik het natuurlijk niet. Ik gedij bij verandering en heb nu meer ruimte om die veranderingen organischer te laten ontstaan dan toen ik in loondienst werkte. Maar één element in dit rijtje kostte me toch weken maanden jaren om te begrijpen en vervolgens te hanteren: Werk versus privé. 

Asynchrone Wederkerigheid, werkt dat nog wel in een Deeleconomie?

Wie langdurige relaties op wil bouwen, doet er goed aan wat principes van sociaal kapitaal te kennen. Sociaal Kapitaal is een begrip uit de jaren zestig van de vorige eeuw, waar verhelderd werd welke elementen bijdragen aan het versterken van (werk)relaties. Mijn ouders (beiden afkomstig uit een ondernemersgezin) moesten de eerste keer dat ik ze de theorie uitlegde, hartelijk lachen. ‘Elke ondernemer weet dit al, Annette‘, zeiden ze. En ze hebben gelijk natuurlijk. Het mooie er aan is dat de theorie wèl het klopt; wie goed doet, goed ontmoet. Jammer alleen is dat je het níet mechanisch in moet zetten, want dan trucje werkt het niet – en juist dat laatste lijkt maatschappelijk de laatste tijd een beetje mis te gaan: Sinds we alles een deeleconomie noemen… 

Kan het onderwijs zichzelf eigenlijk wel reorganiseren?

Een antwoord voor een veld komt altijd uit een ander veld’. Ietwat gechargeerd. Oké, enorm gechargeerd. Maar wel een beetje waar. Ik vluchtte in 2006 niet voor niets weg uit het onderwijsveld. De jaren daarna stak ik zo nu en dan wat tenen in het water. Maar dat zwembad er omheen? Brrr…

Waarom ik Ja zei tegen GeenStijl. #Referendum

‘Je bent gek…‘ Ze kijkt me met grote ogen aan en laat een veel betekenende stilte vallen. Alsof in de witjes tussen de woorden het echt antwoord schuilgaat. Wat natuurlijk waar is. De stilte duurt eindeloos. ‘Eh, want..?‘ probeer ik na een tijdje. ‘En dapper.’ zegt ze dan. ‘Ik zie geen andere optie dan Ja te zeggen‘, antwoord ik, terwijl ik ook wel weet dat dat niet de waarheid is…

Waar zijn de vrouwen als het op spreekrecht aankomt? #Referendum

Ze hadden geen betere naam kunnen bedenken. ‘Hart voor Democratie’: Het collectief dat zich hart maakt voor de duurzaamheid van een referendum in ons politieke landschap. Ja, een mooie taalgrap is het ook. Het hoort ons immers aan het hart te gaan. Rauw en puur. Het hoort ons uit elkaar te trekken en weer terug te brengen naar de kern. Zoals het in de regel met hartzaken gaat.