Afgelopen zaterdag was ik op het Congres van het Provocatief Coachen. Voor iemand met een stigmatiserende weerstand tegen het woord ‘coachen’ was dat best knap. Het viel me alles mee. Sterker nog, het was exact wat ik nodig had. Een huis dat ik al kende, opnieuw ingericht. Met een likje verf en een schoon gordijntje. Een plek waar mensen weinig uitkauwden, maar alles gezien werd. Een verademing!
Wat ik tegen coachen heb
In beginsel heb ik niet veel tegen coachen. Niks eigenlijk. Behalve dat ik te vaak coach genoemd word, waar ik geen coach ben. Nu zijn mensen überhaupt vaak geneigd om iets van je te maken dat je niet bent. Maar deze gaat me te ver. Naast het feit dat er 105.000 geregistreerde coaches in Nederland zijn, en ik vermoed dat daar 15.000 goeden tussen zitten, ben ik dat niet.
Ik ben slecht in geen adviezen geven, ik ben slecht in wachten tot iemand zelf zijn antwoord heeft, en ik ben slecht in alle regie bij de ander laten. Drie dingen waar een goede coach héél goed in moet zijn. Ik kan het allemaal. Daar niet van. Ik heb het ooit geleerd en járen keurig volgehouden. Maar ik wil het niet meer altijd. Ik vind het heel vervelend steeds te moeten wachten tot iemand zijn eigen antwoord ontdekt. Dus ben ik geen coach.
Het dekt al jaren de lading niet meer. Sinds 2017 – toen dit euvel steeds vaker de kop op stak en zelfs het woord ’trainer’ niet naar behoeven functioneerde – besloot ik een nieuw woord in het leven te roepen. Ik zat in een mooie situatie waar ik een directe keuze had om me óf aan te passen aan het beeld dat mensen van een trainer hebben, óf om mezelf te blijven en een nieuw woord te kiezen. Dat laatste leek me de snelste route naar wereldvrede. Dus werd ik ‘processor’: Ik ga met groepen van A naar B. Hoe we er komen ontdekken we onderweg. Het is een proces. Opgelost.
Prive, persoonlijke en professionele relaties
Je kunt je afvragen waar de noodzaak ligt om dit soort taferelen te willen kantelen. Voor mij ligt het in het waarnemen van maatschappelijke blinde vlekken die in stand worden gehouden door patronen. Ik ervaar dit als disfunctioneel. Tja. En dan wil je iets hè.
Eén van de gebieden waar ik het de laatste decennia steeds vaker de mist in zie gaan, is de verwarring die er speelt rond het zijn van mens. Over dat wat we ‘privé’. ‘persoonlijk’ of ‘professioneel’ noemen.
Deze diffusiteit wordt bij de grote commerciële bedrijven zeer eenvoudig opgelost: Door de week werkt iedereen zich de tandjes. Op vrijdag wordt er geborreld (sinds de pandemie mag dat ook op donderdag), dan mogen de onderdrukte gevoelens met dank aan alcohol de straat weer op. En een paar keer per jaar trekt iedereen in clubjes naar de Ardennen of de skipiste, om echte gesprekken te voeren. Zie hier de schizofrenie van dat wat we leven zijn gaan noemen. Daar waar we mens zijn. In stukjes.
Natuurlijk is bovenstaande gechargeerd en zijn er heus ook organisaties en teams waar nuance leeft. Overheidsorganisaties hebben bijvoorbeeld niet de middelen om al deze tierlantijntjes volledig uit de kast te trekken. Daarvoor moet je echt op de Zuidas zijn. Bij de overheid loopt het vaak anders – Daar zit de verwarring regelmatig verstopt in de muren van het gebouw. Met alle randverschijnselen nadien. Gedragsprocessen vervallen daar vaak in fragmentaties (en uitsluiting) of net iets te familiaire aangelegenheden.
Organisatieculturele verleidingen
Ik houd van de overheid. Dus begrijp me niet verkeerd. Al zeg ik consequent nee als ik privé uitgenodigd word. En zijn de keren om thuis te komen eten of borrelen allang niet meer op twee handen te tellen. De verleidelijke verbinding die gezocht wordt op privé gebied, en de momenten dat ik er bijna intrapte waren grote lessen.
Ik noem het organisatieulturele verleidingen. Waarbij er zelden zelfreflectie en organisatiebewustzijn vanuit de verleider meekomt, maar projecties en overdracht de overhand nemen. Naast deze complexiteit, waarbij medewerkers het vaak lastig vinden dat ik vanuit mijn rol wel de persoonlijke verbinding aan ga, maar niet de privé relatie tot stand laat komen, gaat het op werkgebied gelukkig zelden mis.
In de zeven jaar dat ik als zelfstandige gedragsprocessen binnen de overheid begeleid, heb ik gelukkig maar één keer met veel pijn en schade uit een traject hoeven stappen. Mijn integriteit werd geschonden, en grenzen die ik aangaf werden niet gerespecteerd of serieus genomen. Als er tussen een team en begeleider een eenzijdige route ontstaat – waar je indirect gedwongen wordt om over je eigen grenzen te gaan – dan moet je stoppen. Complexer is het niet.
Je veegt je kleren schoon, telt je schrammen en neemt het verlies. In dit specifieke construct deelde ik zelfs mijn persoonlijke aandeel en de strijdende gevoelens die ik ervaarde. Waar geen respect op volgde. Dit laatste hoeft niet, maar is voor mij een essentie. Het was een handreiking om het team een laatste kans te geven. We zijn immers boven alles mens.
Mag je nog lachen in deze tijd?
De reflectie over bovenstaande situatie duurde even. De teleurstelling moest zakken, waardoor ik pas later waardevrij naar de situatie kon kijken. Ik sprak met bevriende therapeuten om mezelf te spiegelen. Tot ik me besefte dat ik boos was. Woedend wellicht. Hadden deze mensen mijn tijd misbruikt? Hadden ze mijn hulp ingeroepen terwijl ze geen hulp wilden? Dachten ze dat ik te paaien was voor een mooi-weer-show? Waar hadden ze weg gekeken van zichzelf? Waar hadden ze mijn opdracht genegeerd? Wat had ík laten gebeuren, waar ik allang had mogen ingrijpen.
Steeds meer zag ik dat ik wel degelijk ingegrepen had, maar dat er niks mee gedaan werd. Tot overdracht en zowel team- als individuele projecties het wonnen van mijn interventies. Het is níet mijn werk teams en organisaties te vriend te houden zodat ze me langer inhuren. Het is mijn werk om teams en organisaties optimaal hun creatiekracht te laten leren kennen. Voor ego is daarbinnen weinig plek.
Na dit proces hield ik steeds vaker mijn mond, omdat mensen vaak helemaal geen behoefte bleken te hebben aan echte ontwikkeling. Ze wilden nieuwe werkvormpjes. En tijdverdrijf. Maar da’s een andere business. Ik zag mezelf steeds vaker zwijgen, waar ik wist dat ik moest spreken. Ik zag mezelf plezier onderdrukken, waar ik wist dat het lucht zou brengen. Patronen liet ik steeds vaker liggen, als ik zag dat er geen leiderschap was om het effect te borgen. Je gaat geen pleister er af trekken, als de wond nog open is.
Ongeveer een half jaar geleden was ik er klaar mee. Er moest weer gelachen worden! In mijn werk, naast mijn werk en over mijn werk. Maar eh… Mag er in deze tijd eigenlijk nog gelachen worden? Mogen we onszelf zien door de ogen van een lachspiegel. De relativering die zoveel lucht en energie kan brengen, komt zoveel makkelijker tot stand via gedeelde dan humor dan de zwaarte van de ernst.
Maak een grap over dat wat waar is
Ooit zag ik Hannah Gadsby live in Carre. Voor wie haar niet kent, Hannah beheerst de finesses van de flinterdunne vitrages tussen theater en realiteit. Ze legt in haar show Nanette op scherpe wijze een aantal mondiale thema’s neer, en schuwt daarbij haar eigen leven niet.
In deze specifieke show legt ze ook de technische werking van een grap uit. Simpel uitgelegd bouw je als performer spanning op in een zaal door een onderliggend conflict woorden te geven. Dit kan van alles zijn. Van een persoonlijk probleem tot maatschappelijke kwesties. De spanning in de zaal groeit en is ongemakkelijk. Collectieve energie werkt daar nog stilletjes aan mee. De performer speelt hiermee. Timing. Een stilte valt. Tot de performer ontlading biedt door het antwoord op de spanning te geven. De ontlading na de zwaar opgebouwde spanning zorgt voor een lach. En vooral voor opluchting bij het publiek – We hoeven de pijn niet aan te gaan!
Hannah voegt hier aan toe dat een goede grap een ‘punch line’ heeft, maar dat je het middenstuk overslaat. Want het middenstuk is voor de zaal vaak te confronterend en pijnlijk. Dat is de plek waar ons collectieve aandeel ligt. Dat wat wij als mensen gezamenlijk hebben laten gebeuren.
Een beetje zoals dit blog, dat een stuk vermakelijker zou zijn als ik het middenstuk had weggelaten, en direct had geduid hoe de ellende me bij een verlossende extase had gebracht. ‘Maar‘ zegt Hannah. ‘We moeten dat aandeel aankijken. Anders kunnen we nooít veranderen‘. We moeten horen wat er gebeurde. Eenzijdige verhalen waar performers zichzelf wegcijferen zodat het publiek opgelucht naar buiten gaat, is tijdverdrijf.
Waar ik Provocatief Werken (en we zijn rond!) zie samenkomen met het theatrale aspect is op de plek waar de waarheid leeft. Mijn mooiste theaterherinnering is als ik een jaar of acht ben en van mijn ouders op de voorste rij mag zitten in het Posthuistheater in Heerenveen. Mijn ouders zitten – omdat je dan geen zere nek krijgt – op rij vijf of zes. We gingen vaak naar theater, mijn favoriete uitje. ‘In het theater is alles waar‘ dacht ik als kind vaak. Daar spraken we immers af wat er nep was, en wat echt is.
Dus laten we lachen. Vooral als het waar is.
.