In dit artikel een uitstapje naar momenten die met terugwerkende kracht een grote opmaat waren naar dat wat ik nu beschouw als normaal. Het is vaak vergeten door de vanzelfsprekendheid. Maar het loont – merk ik steeds regelmatig – om het me bewust te blijven: Een nomadische vorm van ontwikkelen en organiseren, waarmee ik opgroeide. Waarbij je al los laat voordat je iets vast houden kon. Dit klinkt idyllisch, maar is methodisch. En in dat laatste schuilt het geheim: Het is te leren.
1994, Assen: Ik zit op een houten klapstoeltje in de gymzaal op de Zeemanstraat. Het is september en het nieuwe schooljaar is net van start. Om me heen zitten zo’n 75 eerstejaars, die net als ik hun eerste dag belevenop Pabo ‘De Eekhorst’. Jan-Willem, de directeur, staat voor de groep. ‘We hebben de klassen niet ingedeeld’, zegt hij. ‘Dat moeten we nu nog even doen.’ De zaal zwijgt. ‘Dus, let op. Als je in 1A wilt, ga je in die hoek van het gymlokaal staan’. Hij wijst naar een hoek. Er is daar nu niks. Maar straks staat daar klas 1A. ‘Wil je in 1B? Dan ga je in die hoek staan‘. Hij richt zich naar de andere hoek. ‘En iedereen die in 1C wil blijft gewoon op de stoel zitten. Ga je gang!‘
Het blijft een paar momenten stil. Niemand beweegt. Voor we het wisten waren we onderdeel van een sociaal experiment dat niemand van ons zag aankomen. Ik wacht even en loop toen naar de hoek van 1B. Dit moet het zijn. Tegen de wanden van het gymlokaal staan docenten te kijken naar hoe het schouwspel zich voltrekt. Ook nu nog staat elke dia van dat moment op mijn netvlies geschreven.
Na een tijdje zegt Jan-Willem ‘Mooi, dan is dit nu je klas. Voor de komende twee jaar. Zometeen wandel je naar de lokalen. Daar hangt een briefje op de deur van elk lokaal. Dat is voor de rest van het jaar jullie lokaal, want de docenten gaan heen en weer, niet jullie. In het lokaal ligt een briefje. Daar kun je je naam opschrijven, en dan is de administratie rond.’ Verbouwereerd lopen we allemaal naar een lokaal. Ik vond het subliem. Het was is de meest efficiënte en prettige manier van werken die ik ooít gezien heb. Ik heb geen idee waarom ik dat zo voelde, maar ik wilde vanaf die dag nooit meer iets anders dan dit.
1995, Lemmer: ‘Dan ga ik wel naar mijn oude basisschool. Dan los ik meteen dat deel uit mijn jeugd wel even op.’ zeg ik tegen mijn mentor op de Pabo. Er blijken te weinig stageplekken te zijn, waardoor ik per semester van de ene naar de andere school ‘hop’. Geen straf, maar nu blijft er dus niks anders over dan mijn oude basisschool. Waar ik niet altijd heel blij was.
Mijn basisschooljeugd kenmerkte zich op school rond pestgedrag. Gelukkig had ik buiten school veel sportclubs en hobby’s waar ik het erg leuk had (dat me toen al leerde dat je je nooit aan één groep moet binden, maar vrij moet blijven). Maar de basisschool zelf was dat niet. Al was het een Daltonschool en kreeg ik volop vrijheid om me in alles te ontwikkelen – Dat alles kon (en ik daar gretig gebruik van wilde maken als kind was vermoedelijk deels het probleem.)
Maar goed, mijn stageperiode in het derde semester van mijn eerste Pabo leerjaar beleefde ik dus op de basisschool uit mijn jeugd. Drie weken lang. En achteraf? Het was het bèste – echt allerbeste – dat me ooit heeft kunnen overkomen!
Ik had dit voor geen goud willen missen. Op mijn achttiende leerde ik direct in de praktijk de ultieme kern van contextueel werken kennen. Ik was immers achttien en 1.65m – De kapstok was opeens veel lager dan vroeger! Het lokaal was veel kleiner. De stoeltjes ook. En ik stond notabene plotseling ook nog eens vóór de klas, en at mijn broodje in de lerarenkamer. ‘Alles is altijd in beweging‘ leerde ik toen. Pin je nooit vast op wat dan ook. Kijk naar nu, leef nu en ben nu. Want, dat wat was kan morgen compleet anders zijn.
1996, Malaga: ‘Wat mag ik!?‘ De docent knikte. ‘Ja, echt. Je hebt het toch gedaan?‘ Ik was twee jaar op rij naar Malaga geweest voor een talencursus Spaans, en die cursus mocht ik op de Pabo inzetten als keuzecursus. Wat me weer vrijstelling opleverde die ik anders kon invullen.
Elke maandagochtend en woensdagochtend zagen er op onze Pabo precies hetzelfde uit: Op maandag had de hele school collectief een klassenvergadering, met roulerende voorzitter en notulist. Op woensdag waren de keuzecursussen. Dit was een heerlijke, bonte verzameling van allerlei cursussen die docenten, studenten of externen gaven. Ze wisselden per seizoen en sommige waren er altijd. Zo heb ik cursussen boeddhisme gehad van monniken uit de buurt, volgde ik een cursus gebarentaal dankzij een dove klasgenoot, en was er een talencursus Moluks-Maleis omdat er in Assen veel Molukkers wonen.
‘Maar leren doe je niet alleen op school’ was het credo. En ik hield nogal van leren. De talencursus Spaans die ik zomers in Spanje volgde, mocht ik daarom gewoon afschrijven als keuzecursus.
1997, Amsterdam: ‘Dit lijkt me niet zo’n goed idee..‘ stamelde ik. Maar de directeur van de basisschool in Amsterdam waar ik stage liep knikte me bemoedigend toe. Ik liep stage in Amsterdam en de leraar van de klas werd ziek. De directeur vroeg of ik het drie weken ‘even’ over wilde nemen. Onder zijn supervisie. ‘Jij kunt dat wel hoor’, voegde hij toe.
Basisschool Oostelijke Eilanden is een school voor ontwikkelingsgericht onderwijs (OGO), waar dit idee van de directeur naadloos op aansloot. Ik kwam uit de Freinet en Jenaplan-hoek, dus ik had weinig tegen zijn argumenten in te brengen. Wat gebeuren moest, dat zou gebeuren. Dus ik voor de klas.
Tijdens één van de gesprekskringen (ik zat met de bovenbouw dagelijks in de kring) vertelde een meisje dat ze thuis transcendente meditatie deden. Ik en de klas luisterden en stelden vragen. Na de kring gingen we rekenen – Of iets van die orde dat ik nu vergeten ben. Het punt was dat het een doodgewone dag was. Pas daarna kwam ik erachter dat we iets bijzonders beleefd hadden…
‘Dankjewel voor je openheid’ kwam de moeder van het meisje me later vertellen. Ze was zichtbaar ontroerd. Ik begreep het oprecht niet. Gelukkig maar. Want zo hoort het ook. Openheid naar alles dat kinderen delen en vertellen móet je uitgangspunt zijn. En naar volwassenen evengoed. Totdat er gevaar, geweld en beschadiging speelt. Dat wat normaal is, is áltijd cultureel bepaald. Dus wil je een nieuw normaal? Dan verander je de cultuur. Net zoals de directeur mij voor de klas had gezet, en er op vertrouwde dat ik dat kon: Omring je met waardevrije mensen die vanuit vertrouwen handelen, en je cultuur beweegt vanzelf mee.
1998, Manilla: ‘Dan kun je níet naar de Filipijnen. Dan gaat het niet door‘… Ik heb net een uitwisselingsproject naar de Filipijnen met het Bisdom afgezegd waar ik voor geselecteerd was. Het voortraject en alles er omheen voelde niet goed, dus besloot ik het te stoppen.
Mijn omgeving nam aan dat mijn buitenlandstage naar de Filipijnen daardoor dus niet doorging. ‘Hoezo gaat het niet door? Ik ga gewoon. Maar alleen op een andere manier.’ Mijn verlangen om naar de Filippijnen te gaan was inmiddels wel helemaal ‘aan’. Wat nu? Ik besloot het zelf te regelen.
Ik schreef briefjes en mails naar journalisten en organisaties. En belde allerlei mensen die ik niet kende, maar die wel connecties op de Filipijnen hadden. Zo belande ik van persoon A bij persoon B. Toen bij C, D en uiteindelijk E. Tot ik een week of zes aan mogelijkheden verzameld had. Daarmee ging ik naar de Pabo om het als officiële buitenlandstage te kunnen aanmerken. Mijn ouders wilden graag dat ik een klasgenoot meenam, en dat leek me geen slecht idee.
Dus gingen we. Sliepen vijf dagen apart van elkaar in een sloppenwijk in Manilla, gaven les in de sloppenwijk aan de armsten, leerden dat wit een kleur is, wandelden over de rijstterrassen van Batad en Banaue, vlogen naar Mindanao, leefden drie weken tussen de nonnen, gaven les, regisseerden een theatervoorstelling, zongen karaoke voor 2.000 scholieren, dansten elke dag, logeerden in de mangrove bossen, en aten meer mango’s dan denkbaar. Kortom, hoe je er komt maakt niet uit. Als je je vraag maar deelt, en een manier kiest die goed voelt en je gelukkig maakt.
1998, Emmen: Mijn eindstage deed ik zes weken aaneengesloten in Emmen op een Freinetschool. ‘Dus we organiseren een schaaktoernooi, en moeten daarvoor alle kinderen in teams en rondes indelen.‘ Het was het begin van een les ‘levend rekenen’. Heel groep acht staarde me glazig aan. Dit is toch best leuk, vroeg ik me inwendig af. Wat was er met ze aan de hand. Vijf seconden later zei ik het hardop. ‘Zo ken ik jullie niet.. Wat is er aan de hand?‘ vroeg ik de groep.
Om uiteindelijk het meest briljante antwoord aller-tijden te krijgen. ‘Dit is niet echt’, zei een jongetje. ‘We organiseren toch geen ècht schaaktoernooi? Dan moeten we nu voor de nep een schaaktoernooi organiseren om rekenen te leren. Maar we doen het niet in het echt‘. Hij had zó gelijk.
Om mij te leren dat ik bij de kern moest blijven van dat wat ik op dat houten klapstoeltje in de gymzaal aan de Zeemanstraat al geleerd had: Niet moeilijk doen, als het ook simpel en midden in het echte leven kan.
