Hoe de corona-crisis mijn visie op digitalisering in het onderwijs veranderde

Het is 2017. Ik sta voor een 3e klas VMBO-K ergens in het land. Twee ochtenden in de week ben ik interim-docent in het vak Nederlands. Met een Pabo diploma mag dat eigenlijk niet, maar vakinhoudelijk is het niveau gelijk en mijn grip op het pedagogisch klimaat blijkt dankzij de Pabo breder dan de vakdocent op de lerarenopleiding krijgt – maar dat terzijde. 3e klas VMBO-K dus. De mobiele telefoon is een integraal onderdeel van mijn les. Ik leg zo uit waarom.

De leerlingen hebben een app gedownload waarop het woordenboek staat. Ze hebben ook een app met taalspelletjes. En ze mogen een tekstloze muziekzender kiezen via Spotify. Allemaal via hun smartphone. Tijdens de les doet de smartphone dienst als een ‘mini-computer’ op de hoek van hun tafel of in hun broekzak. Dat is me om het even. De leerlingen zijn gewend hoe we hiermee omgaan. Ze nemen verantwoordelijkheid, vragen me soms of ze een whatsapp mogen beantwoorden en als ze spontaan gebeld worden neem ik soms knipogend de telefoon voor ze op, en hebben we dertig seconden een klassikaal lolletje. De andere kant van de lijn schrikt meestal zo erg dat ze uit zichzelf al ophangen. Gemiddeld werkt een leerling zo’n tien minuten per les met de mini-computer, en soms niet. Maar altijd functioneel en met toestemming van mij.

Integraal werken met een digitaal leermiddel

Toen ik in 2013 interim docent werd in het VMBO waren er in de lerarenkamer nauwelijks gesprekken over de vraag hoe we effectief en verantwoord konden omgaan met de smartphone. De meeste mensen zagen het als een onding waarvan we nog maar moesten afwachten hoe dat bij de jonge generatie zou beklijven. Voor mij was het een ‘digitaal leermiddel’. Niet meer en niet minder. Enerzijds omdat ik de smartphone zelf op die manier gebruik, en anderzijds omdat ik de visie naleef dat je moet benoemen wat je in de maatschappij waarneemt om er daarna pragmatisch en gezond mee om te leren gaan. Dat ik afkomstig ben uit het traditioneel vernieuwingsonderwijs (Dalton (als kind), Jenaplan & Freinet (als leraar)) zal hier zeker aan bijgedragen hebben. Vrij vertaald zie ik de hele wereld als eco-systeem (dus ook een school) en is alles daarbinnen een leermiddel om tot ontwikkeling te komen. Via gedegen instructie, heldere didactische modellen en aangesloten op de actualiteit.

Niet ‘Nee, want…’ Maar ‘Ja, en…’

Op het moment dat je iemand een ‘ja, en‘ geeft in plaats van een ‘nee, want‘ verandert er iets in het bewustzijn van de ander. Er ontstaat ruimte, eigenaarschap en verbinding. Dit creëert in vrijwel alle gevallen een meer constructieve werksfeer, waarin ontwikkeling een makkelijkere plek in neemt. De Zelf determinatietheorie (Ryan & Deci, 1995 en 2002) sluit hier naadloos op aan. Deze theorie stelt dat leerprocessen optimaliseren als mensen zich verbonden (1), competent (2) en autonoom (3) voelen. Op het moment dat we op deze manier in verbinding met leerlingen staan, geven ze je vroeg of laat datzelfde respect terug. Wellicht klinkt dit naïeve en idealistisch – Echter, realistisch is het ook. Je moet er alleen wel iets voor doen en dat begint bij congruentie in je handelen. Dus ook in je digitale handelen. Creëer een gesprek over de obstakels die je als volwassene ervaart, maak leerlingen deelgenoot van de situatie, vraag ze om hun eigen oplossingen, zet je jezelf niet neer als expert maar wèl als de volwassene die uiteindelijk de veiligheid borgt en daarom de beslissing neemt. Leiding geven is zoveel makkelijker als mensen je het leiderschap geven in plaats van dat je het moet afdwingen.

In dit kader zag ik het digitale spelletje Pokemon als een uitgelezen kans voor geografische ontwikkeling, cultuur-historische ontwikkeling en teambuilding. Voor de mensen die het spel niet kennen: Bij Pokemon moet je opduikende Pokemons vangen die zich ergens op een plattegrond bevinden. Die plattegrond is níet fictief maar je eigen directe omgeving. De Pokemon zit dus op een stoel in een restaurant, staat bij de soep in de supermarkt, of springt vanachter een struik vandaan. Je vangt een Pokemon met ballen en die raken een keertje op. Nieuwe ballen kun je vinden op specifieke locaties in de omgeving waar je je bevindt: Het standbeeld in de stad kan een ‘poke-stop’ zijn. Een straatnaambordje ook. Een historisch gebouw of markante plek idem dito. Zodra je de ballen van de Poke-stop pakt krijg je een beschrijving te lezen van de lokatie.

Stel hè, mevrouw’ zei een 1ste klas VMBO op een dag. ‘We kunnen Pokemon toch als les gebruiken?‘ Ze zagen een kans en sluiproute om ons onderwijs leuker te maken. Maar ik vond het een goed idee. ‘Hoe dan?’ vroeg ik. ‘Als we dingen moeten opschrijven als we Pokemon spelen‘ zei de klas. We kwamen als snel tot de conclusie dat Nederlands geen geschikt vak is voor dit spel, maar dat er wel variaties mogelijk zijn. Als je bijvoorbeeld alle poke-stops bij bomen en planten plaatst, en de bal pas ontvangt als je de naam van de boom geraden hebt, dan past dat prima in een les biologie. Hetzelfde voor historische gebouwen in de omgeving (geschiedenis) of samenwerkingsopdrachten om in verbinding met elkaar te blijven. Waar je bijvoorbeeld alleen samen met iemand anders een bal kunt ontvangen en nooit in je eentje. Educatieve ontwikkelingskansen te over.

Op deze manier werken is vak-didactisch een specialisme. Inmiddels durf ik die constatering wel te stellen. Nadat ik regelmatig van collega’s te horen kreeg dat het allemaal nog-niet-zo simpel was wat ik wilde, raakte ik steeds vaker mijn eigen verbinding kwijt. Ik kreeg optimistische vragen over hoe ik didactisch werkte, maar ontving ook veel negativiteit in de vorm van afgunst. Een directeur legde me eens uit dat het er te makkelijk uit zag wat ik deed, terwijl het moeilijk bleek te zijn in de uitvoering. Een tijdje kwam ik in de valkuil terecht waar ik iedereen geduldig uitlegde wat en hoe ze dit konden doen, schreef de onderbouwing uit, ik leerde alle wettelijke rompslomp (vaak een excuses van boze mensen om niet te hoeven ‘veranderen’), en ook al die feitjes deelde ik uit als water. Zowel aan mensen in het onderwijs als aan zelfstandigen die het onderwijs wilden helpen. Moeder Theresa was er niks bij. ;) Tot ik op een dag ontdekte dat ik zelf geen enkele voeding meer had.

Ik vind het belangrijk dit te noemen omdat ik inmiddels weet dat er duizenden mensen zijn zoals ik. Waar gefundeerde vakdidactiek, oog voor het pedagogisch klimaat, digitale middelen en creativiteit hand in hand gaan. Maar in een zee van honderdduizenden mensen vallen ze vaak niet op. En in het slechtste geval vertrekken ze uit het onderwijs. Pas als onderwijsinhoud weer 100% voorop komt te staan, is er ruimte om ook hierin als team te ontwikkelen en de win-win te vinden met elkaar. Deze constatering was een opmaat voor mijn kantelende visie op digitalisering in het onderwijs.

Digitalisering is here to stay!

En toen kwam Corona. Bij grote transities is het een stelregel dat je nooít direct weet hoe de situatie zich ontvouwt. De eerste tijd is altijd een soort stilstand. Daarna volgt het besef: De realisatie van de kanteling. Waarna je opnieuw moet bezinnen welke plek je wilt innemen. Dit gaat vaker onbewust dan bewust.

Ik werkte al twee jaar niet meer als deeltijd-interimmer in het onderwijs toen corona begon, maar bouwde de eerste week een minischool voor mijn neefje en nichtje om het spreekwoordelijke gat te vullen. Ze zagen er weinig soelaas in, vonden het twee dagen leuk en gingen toen liever spelen. Zeer begrijpelijk. De maanden er na zagen we landelijk hoe het hele publieke domein (onderwijs, zorg, veiligheid) onder druk kwam te staan. Dit behoeft geen uitleg – We waren er immers allemaal bij.

Al mijn werk viel weg, maar schakelen naar online ondernemen stond me gigantisch tegen. Ik zag het niet als een antwoord op het vraagstuk, maar enkel als vluchtroute. Die sowieso tijdelijk zou zijn. Uiteindelijk heb ik in 2020/2021 slechts vijf keer een webinar gegeven en er zes gevolgd. Uiteraard trok de digitale wereld me de corona-tijd door. Dat zeker. Maar vooral op sociaal gebied met lieve mensen in verbinding. Ik maakte meer foto’s dan ooit en herontdekte vergeten werelden. Maar de rigoreuze schakel waarbij de analoge wereld plots volledig digitaal moest had ik graag anders gezien. Zeker in het onderwijs. De denkfout dat kloktijd gelijk staat aan een garantie van kwaliteit helpt ons niet. Ik begrijp waarom het gebeurde en waarom we collectief in deze shock-toestand schoten, maar sta er niet achter.

Werk-tijd is niet een synoniem voor werk-kwaliteit. Aangezien die lijn angstvallig werd doorgetrokken (en nu nog steeds opdoemt) moeten we de kern blijven benoemen. Digitalisering is here to stay, en het kan ons dienen bij de vraagstukken die de komende decennia voor ons liggen. Maar ènkel als we in staat zijn de perspectiefwissel aan te gaan. En of dat ons lukt, zonder dat we expliciet gaan leren wat de digitale wereld werkelijk inhoudt, vraag ik me oprecht af. Door dit besef is mijn visie op digitalisering in het onderwijs flink veranderd.

Digitale Alchemie

Waar ik de digitale wereld eerst uitsluitend als een verrijking en hefboom zag naar een meer gelaagde manier van delen, leren, ontwikkelen en sociaal verbinden, veranderde dat tijdens corona. Ik schrok van de onbewuste handelingen die ik mensen zichzelf aan zag doen. Continu sloegen ze stappen over die essentieel zijn om op een gezonde manier met digitaal werken om te gaan. Medewerkers deden zichzelf schade aan door úren en úren achter een beeldscherm te blijven zitten. Hoe dan? ‘Waarom doe je dat jezelf aan?’ vroeg ik me keer op keer af.

Begin 2021 begonnen de eerste tekenen zich aan te dienen – medewerkers die in live-sessies bij me zaten vertelden eenzaam te zijn, hadden sneller tranen in hun ogen en voelden zich onzeker over hun handelen. Dit kon niet de bedoeling zijn.

Los van het trainen van vaardigheden en een veranderende attitude binnen jezelf is er nog een manier om snel en effectief deze transitie te ‘overmeesteren’. Namelijk jezelf volledig los maken van het proces waarin je je bevindt. Plaats jezelf niet in het digitale systeem, maar blijf er naast staan. Voortdurend. Dit is ook hoe ik het aan jongeren uitleg: De smartphone, maar ook je computer of je tablet – Het zijn allemaal gereedschappen die níets met jou te maken hebben. Het zijn allemaal sleutels naar een andere wereld (de digitale) maar het middel zelf heeft geen enkele waarde. Het kan en mag altijd wegvallen omdat het níet is wie jij bent.

Zodra je dit inziet kun je er mee gaan spelen. Dan ontstaat diezelfde ruimte als bij de Determinatie theorie van Ryan en Deci. Je hebt autonomie, competentie en verbinding met jezelf (!) nodig om te kunnen blijven ontwikkelen en leren. Maar als je je afhankelijk voelt van een gereedschap, een digitale bubbel of netwerksysteem, dan verlies je je vrijheid.

Ik noem dit proces ‘digitale alchemie. Alchemistische processen zijn scheikundige processen die magisch ogen (en dat deels ook zijn), maar net zo makkelijk met logica te doorgronden zijn. Eén van de belangrijkste voorwaarden is jezelf losmaken van het proces en de uitkomst. Hierdoor kun je praktischer handelen, en er openen zich kansen die je niet ziet als je er te dicht bovenop zit. Het is inzoomen èn uitzoomen op hetzelfde moment. De digitale wereld wordt op die manier een speeltuin waar je zelf in en uit kunt wandelen, en waar je niet afhankelijk van bent. Grenzen aangeven wordt op die manier veel makkelijker (en onafhankelijk van de reactie van de ander blijven ook ;)).

Digitaal Tuinieren & Lerenleren

Hoe leer je dit als je er ondertussen middenin zit? Het is verleidelijk om in de korte-termijn oplossingen te schieten, maar helpt niet bij lange-termijn winst.  Je hebt niks aan een hamer, als je een schroevendraaier nodig hebt. En spijkers zijn leuk, maar niet bruikbaar zonder hamer. Iets krijgt pas waarde als je weet wát het is en hoe je dát verbinden kunt aan een ander iets. Dat vraagt een open, transparant lange-termijn-proces.

Iemand wiens werk ik waardeer en op genuanceerde wijze uitlegt waarom hij voorstander is van het idee om smartphones uit de school te halen is Gert Verbrughen. En hij heeft een heel valide punt als we kijken naar de manier waar docenten op dit moment zelf zitten in hun digitale ontwikkeling. Als je smartphones enkel ziet als communicatiemiddelen onderschrijf ik dit volledig. Dan zou ik Gert’s artikel absoluut meenemen naar de teamkamer en zo snel mogelijk uitdelen.

Maar liever wil ik kijken hoe het onderwijsveld kan leren om de didactische pedagogiek op de lange termijn beter te beheersen. Het zou toch veel mooier zijn als een leraar weet hoe hij moeiteloos hiermee om kan gaan in plaats van het te verbieden? Dit vraagt een verdiepende blik waarbij je je didactiek aanscherpt en bijslijpt.

Bewustzijnsontwikkeling bij jongeren creëren is onmogelijk als de leraar het niet heeft. Als de leraar geen reflectief vermogen opgebouwd heeft rondom het gebruik van digitalisering (ik noem dat vermogen een ‘reflectief kapitaal’). Digitale gereedschappen bieden ons de mogelijkheid om geografisch grenzen over te steken, kennis op te schalen, verbinding te maken en leerprocessen te optimaliseren. En het grootste voordeel heb ik nog niet eens genoemd: Minder uren te werken als je de juiste gereedschappen bij de juiste handelingen kunt plaatsen. (Kijk maar even naar de tool ANS die leraren helpt om geautomatiseerd na te kijken en je uren werk scheelt).

Bewustzijnsontwikkeling is de eerste stap bij gedragsverandering. Het is onze taak om de jongere generaties juist nu een bewustzijn mee te geven dat meerdere perspectieven omvat, waarbij ze contextueel leren schakelen. In iets dat ze zelf niet hebben kunnen ervaren. Het gesprek met ze aangaan is wat mij betreft de meest belangrijke interventie in deze tijd.

Hoe dan?

Maar ook het aanleggen van een persoonlijke digitale tuin kan je helpen. Digitaal Tuinieren is al decennia oud. Het is ontstaan toen de google, yahoo en alle andere zoekmachines nog niet gestandaardiseerd waren en mensen via hyperlinks op een nieuwe web-pagina terecht moesten komen. Hyperlinks zijn de blauwe woorden die je van Wikipedia kent. Mark Bernstein noemde deze manier van werken zijn ‘hypertext garden‘. Later werd dat in de tech-bubbel al snel een ‘digital garden’.

Je bouwt een digitale tuin om daarin je leerprocessen, creatieve ontdekkingen en overdenkingen te plaatsen. Maar je kunt er net zo goed een anti-bibliotheek in bouwen, of je persoonlijke muziekcollectie delen. Sinds ik hardop praat over de digitale tuin (dat deed ik voor corona niet namelijk) krijg ik de mooiste reacties! De meeste mensen die ik tegenkom hebben allang een digitale tuin. Alleen noemden ze het niet zo. Zodra je aan je digitale lijstjes een leercurve toedient, ben je onderweg! Dan heb je gezaaid, kun je onderhouden, snoeien en uiteindelijk oogsten wat je geleerd hebt. Dit proces is essentieel om te ontdekken hóe je winst boekt. Dit is op de goede dagen natuurlijk niet nodig, maar juist bij de dipjes en de momenten dat je het even niet meer ziet zitten helpt je eerdere oogst je te zien dat alles gestaag groeit.

Je kiest een digitale tuinomgeving (hier vind je tools die daar erg geschikt voor zijn). Vraag en check in je omgeving welke mensen er nog meer op digitale wijze hun leerprocessen en ontwikkeling volgen. Je hoeft dit namelijk alleen te doen. Als we met zeven miljard mensen in een digitale ontwikkeling zitten zou het een beetje idioot zijn om in je eentje het wiel uit te vinden, vind je niet. ;) En ga aan de slag!

IN DE BONUS: Omdat ik vooral graag zie dat we hier collectief meer gesprekken, experimenten en ontwikkelingen in doormaken schrijf ik een boekje met alle to do’s erin. Je kunt dit (uiteraard gratis) aanvragen via dit formulier: bit.ly/digitalealchemie-boekje

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

© 2022 Annette Dölle . Theme by Viva Themes.
%d bloggers liken dit: